Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
09/698 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijkerwijs kunnen beschikken over de middelen (art. 31 lid 1 WWB).

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/329
JWWB 2009, 233
USZ 2009/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/698 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2008, 07/2457 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 8 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.H.A. Mo-Ajok, werkzaam bij Rodev Law Office, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 5 november 2002 ten behoeve van de aankoop van een [merk auto] personenauto namens Advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] als lessee een financiële lease-overeenkomst aangegaan met [merk auto] Leasing Nederland B.V. als lessor.

In deze overeenkomst is het leasebedrag bepaald op € 552,55 per maand, de looptijd op 48 maanden en de slottermijn op € 10.000,--. Op de overeenkomst zijn de algemene financiële leasevoorwaarden van DaimlerChrysler Financial Services B.V. (DCFS) van toepassing verklaard.

1.2. Op 2 januari 2007 is appellant in privé en namens Rodev Football Agency B.V. een kredietovereenkomst met een kredietsom van € 10.000,-- met DCFS aangegaan, waarbij een termijnbedrag van € 299,35 met een looptijd van 24 maanden en een slottermijn van € 4.300,-- is vastgesteld. Op de overeenkomst zijn de Algemene Krediet Voorwaarden van toepassing verklaard.

1.3. Het College heeft, na gemaakt bezwaar, bij besluit van 15 mei 2007 aan appellant met ingang van 12 april 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Voorts heeft het College aan appellant meegedeeld dat op de bijstand maandelijks inkomsten in mindering worden gebracht die verband houden met de betalingen die de zus van appellant, [naam zus], maandelijks verricht ter voldoening van de lease- en termijnbedragen voortkomend uit de hiervoor genoemde overeenkomsten.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 15 mei 2007 beroep ingesteld uitsluitend voor zover het de inkomstenkorting op zijn bijstandsuitkering betreft. Dit beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat de zus van appellant de leasebedragen van € 552,55, en later de termijnbedragen van € 299,35, ten behoeve van appellant aan DCFS heeft betaald.

4.2. Volgens appellant kunnen deze betalingen niet als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB in aanmerking worden genomen, omdat hij door de rechtstreekse betalingen aan DCFS niet zelf de beschikking had over deze middelen en daarover ook niet redelijkerwijs kon beschikken. Verder is volgens appellant van belang dat de door zijn zus betaalde bedragen een schuld vormen die hij aan haar moet terugbetalen, zodat ook op die grond de betalingen niet als middelen in aanmerking kunnen worden genomen.

4.3. De Raad stelt op grond van de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de Raad door appellant is verklaard vast dat bij het handelen van appellant steeds de continuering van het bezit en het gebruik van de [merk auto] voorop heeft gestaan, en daarmee ook de continuering van de overeenkomsten met DCFS. In dit verband acht de Raad onder meer van belang dat, anders dan appellant stelt, niet gebleken is dat hij op geen enkele wijze onder het lease-contract uit kon komen, aangezien uit de algemene voorwaarden blijkt dat de lessee om ontbinding van de lease-overeenkomst kan verzoeken. Dat een dergelijke ontbinding wellicht financieel ongunstig zou zijn geweest omdat appellant op dat moment niet de juridische eigenaar van de [merk auto] was en dit ook niet meer zou worden, doet daar niet aan af. Niet is gebleken dat appellant enige poging heeft ondernomen om dienaangaande een regeling te treffen. Ook na afloop van het lease-contract per 2 januari 2007 heeft appellant er niet voor gekozen met DCFS tot een oplossing te komen om van de [merk auto] en de daaraan verbonden kosten af te komen, maar bij DCFS opnieuw een krediet gevraagd, waarbij hij de [merk auto], nu wel als juridisch eigenaar, in onderpand heeft gegeven.

4.4. De verplichtingen welke voor appellant voortvloeien uit de overeenkomsten met DCFS moeten dan ook worden gerekend tot zijn kosten van levensonderhoud. Appellant heeft zijn zus bereid gevonden hem te helpen bij het realiseren van zijn wens om de [merk auto] aan te houden, in die zin dat zij de maandelijkse verplichtingen van appellant aan DCFS, op zijn verzoek, rechtstreeks aan DCFS heeft voldaan. Nu appellant zelf de bestemming van de door zijn zus ter beschikking gestelde middelen heeft bepaald, is de Raad van oordeel dat het feit dat zij de betalingen rechtstreeks aan DCFS deed er in dit geval niet aan in de weg stond om deze middelen aan te merken als middelen waarover appellant redelijkerwijs kon beschikken. Het verdraagt zich ook niet met het vangnetkarakter van de WWB als sluitstuk van de sociale zekerheid om in gevallen als hier aan de orde, waarbij betrokkene zichzelf in de positie brengt dat betalingen van door hem gemaakte kosten van levensonderhoud rechtstreeks aan derden worden gedaan, deze middelen op grond van de gekozen juridische constructie bij de vaststelling van de bijstandsuitkering buiten beschouwing te laten. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de bedragen die de zus van appellant aan DCFS betaalde zijn aan te merken als middelen waarover appellant beschikte of redelijkerwijs kon beschikken als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.5. Het betoog van appellant dat de middelen buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat tegenover de betalingen van zijn zus een schuld aan haar is ontstaan, faalt eveneens, reeds omdat de over de aflossing van die schuld tussen appellant en zijn zus gemaakte afspraken onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van een daadwerkelijke aflossingsverplichting. Het College behoefde geen aanleiding te zien om de betalingen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB als giften buiten beschouwing te laten, nu deze, gelet op het daarmee nagestreefde bestedingsniveau, uit een oogpunt van bijstandsverlening als niet verantwoord waren aan te merken.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat het College de middelen terecht als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB heeft aangemerkt, omdat het hier gaat om middelen die - net als loon en uitkeringen - periodiek worden ontvangen, kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud en betrekking hebben op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WWB, op grond waarvan de hoogte van de algemene bijstand wordt vastgesteld aan de hand van het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm, heeft het College terecht de bijdrage geheel in mindering gebracht op de voor appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm.

4.7. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de inkomstenverrekening kan aan het vorenstaande niet afdoen, zodat het hoger beroep niet slaagt.

5. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de richtlijnen zoals vervat in de Procesregeling bestuursrecht, zowel door het College als door de rechtbank verwijtbaar zijn geschonden.

5.1. Het bezwaarschrift is gedateerd op 12 april 2007. Omdat een ontvangstdatum ontbreekt, gaat de Raad uit van de ontvangst op 13 april 2007. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak is een periode van minder dan vier jaar verstreken. Gelet hierop is naar het oordeel van de Raad de redelijke termijn niet overschreden.

5.2. Met betrekking tot de gestelde overschrijding van de termijnen in de Procesregeling bestuursrecht door de rechtbank merkt de Raad op dat het hierbij gaat om termijnen van orde waar bij overschrijding geen direct rechtsgevolg aan verbonden is.

6. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2009.

(get.) R. Kooper.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB