Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
08-2068 AW + 08-3900 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BC6096, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door appellante genoten inkomsten als gemeenteraadslid worden -met terugwerkende kracht- tot 90% gekort op haar bezoldiging bij de gemeente Velsen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit vernietigd voor zover het betreft de hoogte van de korting. Beëindigingsovereenkomst. Werkzaamheden als gemeenteraadslid vallen onder de noemer werkzaamheden voor derden, zoals bedoeld in die overeenkomst, zodat de daaruit ontvangen inkomsten mogen worden gekort op haar van de gemeente (te) ontvangen salaris. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen. Bij dat besluit heeft het college bij de vaststelling van de korting uitsluitend rekening gehouden met de vergoeding die appellante tot de datum van haar ontslag uit dienst van de gemeente Velsen als raadslid ontving voor haar werkzaamheden en is de onkostenvergoeding buiten beschouwing gebleven. De Raad is van oordeel dat het college met dit besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2068 AW + 08/3900 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 februari 2008, 07-3181 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 1 juli 2008 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Lamme, juridisch adviseur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Terlingen, werkzaam bij de gemeente Velsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was aanvankelijk in dienst bij de gemeente Velsen als [naam functie] van de afdeling [naam functie A]. Op 17 mei 2005 is met haar een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarbij appellante afstand deed van haar functie en instemde met overplaatsing naar de functie van [naam functie B] voor 36 uur per week, dit met behoud van bezoldiging en rechtspositie. Aan appellante werd toestemming verleend om gedurende en in verband met haar betrekking van [naam functie B] werkzaamheden voor derden te verrichten en daarvoor vergoedingen aan te nemen. Voorts is bepaald dat van de genoten inkomsten 90% in mindering worden gebracht op haar salaris bij de gemeente Velsen. Ook was bepaald dat aan appellante op haar verzoek per 1 augustus 2007 ontslag werd verleend.

1.2. Op 6 juli 2006 heeft appellante het college ervan in kennis gesteld dat zij op 10 mei 2006 is geïnstalleerd als raadslid van de gemeente [naam gemeente]. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het college met terugwerkende kracht tot 10 mei 2006 de door appellante genoten inkomsten als gemeenteraadslid tot 90% gekort op haar bezoldiging bij de gemeente Velsen.

2. Met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft appellante rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 november 2006 vernietigd voor zover het betreft de hoogte van de korting en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen.

3. Appellante heeft deze uitspraak aangevochten voor zover daarin in rechtsoverweging 2.7 is geoordeeld dat de werkzaamheden als gemeenteraadslid vallen onder de noemer werkzaamheden voor derden, zoals bedoeld in punt 6 van de tussen appellante en het college gesloten overeenkomst, zodat de daaruit ontvangen inkomsten mogen worden gekort op haar van de gemeente (te) ontvangen salaris.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat de overeenkomst de neerslag vormt van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de beëindiging van het dienstverband van appellante. In de tussen appellante en het college bestaande ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding moeten deze afspraken worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het college toekomende ontslagbevoegdheid. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van rechtszekerheid, dat niet alleen voor de overheid, maar ook voor de ambtenaar geldt. Bij de uitleg van die overeenkomst komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien waarom de werkzaamheden als gemeenteraadslid niet vallen onder de noemer werkzaamheden voor derden. Meer in het bijzonder kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat daarmee uitsluitend zou zijn gedoeld op werkzaamheden in dienstverband. De tekst van punt 6 van de overeenkomst biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.De ter zitting betrokken stelling van appellante dat de werkzaamheden als gemeente-raadslid niet kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden “gedurende en in verband met haar betrekking van [naam functie B]” in de zin van punt 6 van de overeenkomst, kan de Raad niet onderschrijven. Nu met de aanstelling als [naam functie B], naar partijen hebben erkend, is bedoeld appellante vrij te stellen van werkzaamheden voor de gemeente Velsen, behoudens het bepaalde in punt 3, houdt de toestemming om andere werkzaamheden te gaan verrichten en daarvoor vergoedingen aan te nemen, daarmee verband. De stellingen van appellante met betrekking tot het wel of niet verlenen van buitengewoon verlof en voor hoeveel uur, in de situatie dat zij nog gewoon werkzaam zou zijn voor de gemeente Velsen, maken dat niet anders. Vast staat immers dat appellante in haar situatie geen buitengewoon verlof behoefde aan te vragen, reeds omdat zij was vrijgesteld van werkzaamheden. Voor appellante golden de speciale afspraken uit de overeenkomst.

4.3. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

4.4. De Raad ziet voorts aanleiding om het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 1 juli 2008 op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb bij de beoordeling te betrekken. Bij dat besluit heeft het college bij de vaststelling van de korting uitsluitend rekening gehouden met de vergoeding die appellante tot de datum van haar ontslag uit dienst van de gemeente Velsen als raadslid ontving voor haar werkzaam-heden en is de onkostenvergoeding buiten beschouwing gebleven. De Raad is van oordeel dat het college met dit besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Aangezien tegen dit besluit geen andere gronden zijn aangevoerd dan die welke zijn ingebracht tegen de aangevallen uitspraak, moet het beroep, voor zover dat geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit van 1 juli 2008, ongegrond worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD