Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
07-5902 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Handel in auto's. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het standpunt van het College, inhoudende dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door betrokkene niet kan worden vastgesteld of het vermogen van betrokkene in de vorm van de genoemde voertuigen in de weg stond aan bijstandsverlening, op voldoende zorgvuldig onderzoek en voldoende grondslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 september 2007, 07/545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft met ingang van 2 maart 2003 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit een onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat in de periode vanaf 13 september 2003 tot 27 juni 2006 een aantal voertuigen op naam van betrokkene heeft gestaan waarvan door betrokkene geen mededeling is gedaan aan het College. De resultaten van het onderzoek zijn vervat in een rapport van 1 juli 2006 en hebben geleid tot het besluit van 13 september 2006. Bij dat besluit heeft het College de aan betrokkene verleende bijstand met ingang van 13 september 2003 ingetrokken en de over de periode van 13 september 2003 tot en met 30 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 47.207,66 van betrokkene teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is de einddatum van de intrekking van de bijstand op 30 juni 2006 gesteld. Dit besluit berust op de grond dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn vermogen in de vorm van een viertal auto’s en twee caravans, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2006 gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek naar de waarde van de voertuigen die op naam van betrokkene hebben gestaan, ontoereikend is geweest en dat om die reden de beantwoording van de vraag of in de periode in geding de grens van het vrij te laten vermogen is overschreden, op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich dat nog niet kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag of het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft vervolgens het besluit van 20 december 2006 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Ter zitting is bevestigd dat geen uitvoering is gegeven aan de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit van 20 december 2006 berust op onvoldoende zorgvuldig onderzoek en op een onvoldoende feitelijke grondslag.

4.2. Zoals onder 1.2 is vermeld, is aan het besluit van 20 december 2006 ten grondslag gelegd dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Betrokkene heeft niet betwist dat hij in strijd met de inlichtingenverplichting aan het College niet heeft meegedeeld dat hij over vermogensbestanddelen (heeft) beschikt in de vorm van een aantal voertuigen, te weten een [naam voertuigen].

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval dat wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het standpunt van appellant, inhoudende dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door betrokkene niet kan worden vastgesteld of het vermogen van betrokkene in de vorm van de genoemde voertuigen in de weg stond aan bijstandsverlening, op voldoende zorgvuldig onderzoek en voldoende grondslag berust. Daartoe overweegt de Raad dat gezien de bouwjaren van de betreffende voertuigen niet op voorhand kon worden uitgesloten dat deze een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden. De Raad acht voorts voldoende aannemelijk dat appellant de waarde van de voertuigen niet op verantwoorde wijze aan de hand van de ANWB/Bovag koerslijst heeft kunnen bepalen, dit in verband met het bouwjaar en het gebrek aan waardebepalende gegevens zoals type, kilometerstand en onderhoudsniveau van de voertuigen. Aan de hand van gegevens op diverse websites heeft appellant slechts een - indicatieve - waarde van de voertuigen kunnen vaststellen.

4.5. Betrokkene heeft, geconfronteerd met de tenaamstellingen van genoemde voertuigen, gesteld dat de waarde daarvan beperkt was, dat het in enkele gevallen ging om schadevoertuigen, afkomstig uit Duitsland, en dat hij niet beschikt over bewijzen daaromtrent, met uitzondering van twee aankoopnota’s die betrokkene in bezwaar heeft overgelegd. Deze nota’s betreffen de aankoop van een [naam voertuigen], en zijn gedateerd 11 februari 2005, respectievelijk 1 april 2005. Deze handgeschreven nota’s kunnen naar het oordeel van de Raad echter geen uitsluitsel geven over de omvang van het vermogen van betrokkene. Voorts moet de Raad vaststellen dat betrokkene geen verifieerbare gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de financiering van de voertuigen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat betrokkene zowel ten tijde van de aanschaf van de [naam voertuigen] van onbekende waarde, zodat het totale vermogen van betrokkene niet kan worden vastgesteld.

4.6. Gezien hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen kan de Raad zich verenigen met het standpunt van appellant dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene ten tijde in geding verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.

4.7. Dit betekent dat appellant bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 13 september 2003 tot en met 30 juni 2006. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat appellant bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. De Raad stelt vast dat appellant in overeenstemming met zijn beleidsregels heeft gehandeld. In hetgeen betrokkene in het verweerschrift heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van zijn beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.9. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

IJ