Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-437 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld, niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid. De Raad is van oordeel dat het Uwv appellante ten onrechte geschikt heeft geacht voor de als maatstaf in aanmerking genomen arbeid. De Raad overweegt daartoe dat uit de rapportage van de deskundigen blijkt dat appellante, bij wie een ernstige dysthyme stoornis en een ernstige schizoïde persoonlijkheidsstoornis zijn vastgesteld, alleen binnen de veilige situatie van het (stam)gezin in staat was om de verzorging voor haar moeder op zich te nemen. Zij achten appellante niet (meer) in staat om in een reguliere arbeidsomgeving te werken. Uit de rapportage van de bva van 24 juli 2008 kan worden afgeleid, dat deze zich verenigt met de conclusie van de deskundigen dat appellante niet in een reguliere arbeidsomgeving werkzaam kan zijn. Naar het oordeel van de Raad ontvalt daarmee de feitelijke grondslag aan de opvatting van het Uwv dat appellante in staat moet worden geacht tot het verlenen van zorg in een één op één zorgcontact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/437 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 december 2007, 07/1032 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J. Minten, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 juli 2008 heeft appellante een rapportage van psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars en klinisch psycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart aan de Raad gezonden.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met inzending van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 24 juli 2008.

Bij brief van 23 augustus 2008 heeft appellante een reactie van Trompenaars en bij brief van 1 oktober 2008 heeft het Uwv een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Op 14 november 2008 heeft appellante nog een brief aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft zich per 11 september 2005 ziek gemeld, waarna zij ziekengeld ingevolge de Ziektewet ontving. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het Uwv beslist dat appellante met ingang van 4 mei 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij vanaf die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2007 is bij besluit van 13 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat zij als gevolg van psychische klachten zodanig beperkt is dat zij op de reguliere arbeidsmarkt niet tot enige arbeidsprestatie in staat is. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar de rapportage van Trompenaars en Ligthart.

4. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

Appellante is geboren op 28 december 1963 en heeft sedert haar achttiende jaar een bijstandsuitkering ontvangen. Gedurende langere tijd heeft zij haar moeder verzorgd, die last had van lichamelijke klachten en een manisch depressieve stoornis. In 1996 is hierin wijziging gekomen doordat appellante voortaan voor zorgwerkzaamheden gedurende

21 uur per week door haar moeder werd betaald uit een persoonsgebonden budget. Vanaf die tijd heeft appellante, eerst als verzorgster, later als gespecialiseerd verzorgende, vrijwel dagelijks zorg aan haar moeder verleend. Op 18 januari 2006 is de moeder van appellante overleden.

5. De Raad stelt vast dat het Uwv, naar ter zitting is bevestigd, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet is uitgegaan van degene die in een één op één zorgcontact zorg verleent. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen, dat de laatstelijk feitelijk door appellante verrichte arbeid, die niet meer beschikbaar is, zeer veel unieke op de persoonlijke situatie van appellante en haar moeder toegespitste elementen bevatte. Het Uwv acht appellante voor de maatstafarbeid niet ongeschikt.

6. De Raad is van oordeel dat het Uwv appellante ten onrechte geschikt heeft geacht voor de als maatstaf in aanmerking genomen arbeid. De Raad overweegt daartoe dat uit de rapportage van Trompenaars en Ligthart blijkt dat appellante, bij wie een ernstige dysthyme stoornis en een ernstige schizoïde persoonlijkheidsstoornis zijn vastgesteld, alleen binnen de veilige situatie van het (stam)gezin in staat was om de verzorging voor haar moeder op zich te nemen. Zij achten appellante niet (meer) in staat om in een reguliere arbeidsomgeving te werken. Uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts

J.L. Waasdorp van 24 juli 2008 kan worden afgeleid, dat deze zich verenigt met de conclusie van Trompenaars en Ligthart dat appellante niet in een reguliere arbeidsomgeving werkzaam kan zijn. Naar het oordeel van de Raad ontvalt daarmee de feitelijke grondslag aan de opvatting van het Uwv dat appellante in staat moet worden geacht tot het verlenen van zorg in een één op één zorgcontact.

7. Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen, alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen. Gelet op hetgeen onder 6 is overwogen staat vast dat aan appellante per 4 mei 2007 ziekengeld ingevolge de Ziektewet toekomt. De Raad zal daarom zelf in de zaak voorzien door herroeping van het besluit van 26 april 2007.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-. Met betrekking tot de vordering van de kosten van de uitgebrachte rapporten van Trompenaars en Ligthart is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken wordt de forfaitaire vergoeding bepaald op € 1.918,36.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 26 april 2007;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.562,36;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

TM