Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-4483 WAO + 08-4491 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Aan de intrekking ligt geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag. Onder verwijzing naar LJN AW2017, CRvB 14-04-2006, is de Raad evenwel van oordeel dat het ontbreken van dit onderzoek, gelet op alle feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het rapport werknemersfraude, niet dwingt tot de conclusie dat de intrekking van appellants uitkering geen stand kan houden. De stelling van appellant dat het Uwv bij de schatting van zijn inkomsten uit arbeid onzorgvuldig heeft gehandeld, kan evenmin slagen. Op basis van het rapport werknemersfraude heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 6 juli 2006 een schatting gemaakt van de door appellant vanaf 1994 gemiddeld per jaar genoten inkomsten uit arbeid. De Raad stelt vast dat appellant over de gehele in geding zijnde periode geen enkele administratie heeft bijgehouden van de door hem verrichte werkzaamheden en van de door hem genoten inkomsten. De Raad is van oordeel dat appellant voldoende in de gelegenheid is geweest om een verifieerbare administratie te (laten) verzorgen. Appellant heeft dat niet gedaan. Het Uwv mag het inkomen schattenderwijs vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4483 WAO + 08/4491 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 juni 2008, 07/4098 en 07/4099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. van der Meij, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 juli 2009 heeft het Uwv desgevraagd stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 17 januari 1994 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

3. Bij besluit van 6 december 2006 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd een bruto bedrag van € 240.847,50 aan over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 28 februari 2006 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

4. Bij besluit van 15 mei 2007 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juli 2006 ongegrond verklaard.

5. Bij besluit van 31 mei 2007 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2006 ongegrond verklaard.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

7. In hoger beroep heeft appellant, zoals ter zitting nader gepreciseerd, als grieven naar voren gebracht, kort weergegeven, dat het Uwv niet het volledige medische dossier heeft overgelegd, dat hij vanaf 1994 gedurende lange perioden niet tot inkomenvormende arbeid in staat was en dat het Uwv bij de schatting van zijn inkomsten uit arbeid onzorgvuldig heeft gehandeld.

8. De Raad overweegt het volgende.

De intrekking

8.1. De Raad stelt voorop dat de intrekking berust op artikel 43 van de WAO. Daaraan ten grondslag ligt informatie die het Uwv heeft verkregen uit een zogenoemd fraude-onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 5 januari 2006. De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de feiten en omstandigheden zoals deze in dit rapport zijn gerelateerd.

8.2. Appellant stelt dat het Uwv ten onrechte heeft verzuimd zijn volledige medische dossier te overleggen, uit welk dossier zou kunnen blijken dat hij gedurende langere perioden tot geen enkele arbeid in staat was. Deze stelling slaagt niet. Tot de gedingstukken behoren diverse rapportages uit de jaren 1994, 1996, 1997, 2000 en 2005 van verzekeringsartsen van (rechtsvoorgangers van) het Uwv. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv over meer of andere voor de hier in geding zijnde periode relevante rapportages van verzekeringsartsen beschikt. Uit de beschikbare rapportages kan voorts niet worden afgeleid dat het Uwv beschikt over rapportages van behandelend artsen van appellant. Zo appellant meent dat kennis dient te worden genomen van informatie van hem behandelende artsen, stelt de Raad vast dat appellant ampel in de gelegenheid is geweest deze informatie op te vragen en in te zenden. Appellant heeft dat niet gedaan, terwijl niet blijkt dat appellant vanaf de ontvangst van de besluiten van 10 juli 2006 en 6 december 2006 daartoe niet in de gelegenheid is geweest. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien om het verzoek van appellant ter zitting, om het onderzoek te schorsen teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen ontbrekende medische rapportages in te zenden, te honoreren.

8.3. De Raad stelt voorts vast dat uit de beschikbare rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv niet kan worden afgeleid dat appellant vanaf 1994 gedurende langere perioden niet in staat zou zijn geweest tot enige arbeidsprestatie. Uit de rapportages kan veeleer worden afgeleid dat de verzekeringsartsen appellant, behoudens een enkele periode na een appellant overkomen ongeval, doorgaans in staat achtten tot een significante arbeidsprestatie. Uit het rapport werknemersfraude blijkt voorts dat appellant gedurende langere tijd in de periode vanaf 1994 een aanmerkelijke arbeidsprestatie heeft geleverd.

8.4. Aan de intrekking ligt geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 april 2006 (LJN AW2017) is de Raad evenwel van oordeel dat het ontbreken van dit onderzoek, gelet op alle feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit het rapport werknemersfraude, niet dwingt tot de conclusie dat de intrekking van appellants uitkering geen stand kan houden.

8.5. De stelling van appellant dat het Uwv bij de schatting van zijn inkomsten uit arbeid onzorgvuldig heeft gehandeld, kan evenmin slagen. Op basis van het rapport werknemersfraude heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van

6 juli 2006 een schatting gemaakt van de door appellant vanaf 1994 gemiddeld per jaar genoten inkomsten uit arbeid. De Raad stelt vast dat appellant over de gehele in geding zijnde periode geen enkele administratie heeft bijgehouden van de door hem verrichte werkzaamheden en van de door hem genoten inkomsten. De Raad is van oordeel dat appellant voldoende in de gelegenheid is geweest om een verifieerbare administratie te (laten) verzorgen. Appellant heeft dat niet gedaan. In dergelijke omstandigheden is het Uwv, naar de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van

2 oktober 2007, LJN BB4799), gerechtigd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Bij deze schatting is het Uwv uitgegaan van enkele, en als zodanig niet betwiste, inkomsten en werkzaamheden van appellant. Het is de Raad niet gebleken dat het Uwv bij de schatting overigens uitgangspunten heeft gehanteerd die als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt. Het risico van een te hoge schatting is voor appellant.

De terugvordering

8.6. Nu vaststaat dat appellant ten onrechte WAO-uitkering heeft ontvangen was het Uwv gelet op artikel 57 van de WAO gehouden deze uitkering van appellant terug te vorderen. Tegen het bedrag van de bruto terugvordering als zodanig zijn door appellant geen grieven gericht. Uit hetgeen door appellant is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat zich dringende redenen voordoen op grond waarvan het Uwv zou zijn gehouden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen.

9. Het hoger beroep kan mitsdien niet slagen.

10. De Raad ziet geen reden voor veroordeling van een partij in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

TM