Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
07-6811 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verder ziekengeld is gebaseerd op passendheid van de functie van ophanger/afnemer. Deze functie kan als maatstaf voor zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6811 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 november 2007, 06/4761 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009 waar appellant en zijn gemachtigde als aangekondigd niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich per 30 augustus 2005, toen hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, wegens angst- en spanningsklachten ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 11 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, gericht tegen het besluit van 27 april 2006 om appellant met ingang van 1 mei 2006 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt te achten tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW), ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het daartegen gerichte beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens is daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv hem per 1 mei 2006 ten onrechte geschikt heeft geacht om zijn arbeid te verrichten. Daarbij heeft hij er op gewezen dat bij de rechtbank nog een beroepsprocedure loopt tegen een besluit tot herziening van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 6 oktober 2004, in welke procedure de geschiktheid van de voor hem passend geachte, ook thans in het kader van de ZW relevante, functies aan de orde is. Naar zijn mening hadden bij de aangevallen uitspraak om die reden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand mogen worden gelaten.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

4.2. Het is vaste jurisprudentie van de Raad dat in het kader van de ZW in beginsel als zijn arbeid wordt aangemerkt de arbeid die de verzekerde laatstelijk voor zijn ziekmelding feitelijk verrichtte. Op dit beginsel bestaan echter uitzonderingen. Indien de verzekerde bijvoorbeeld gedurende de maximale periode ziekengeld heeft ontvangen, vervolgens blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet heeft hervat in ander werk, dan geldt als maatstaf voor zijn arbeid de in het kader van de WAO-beoordeling voor de verzekerde geselecteerde functies. Er is dan geen sprake van ongeschiktheid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW en de verzekerde heeft derhalve geen recht op ziekengeld, in het geval hij geschikt kan worden geacht voor tenminste één van de voor hem passend bevonden functies.

5. Appellant was tot 16 maart 2000 werkzaam als netwerkmedewerker en is toen uitgevallen met angst- en paniekaanvallen. Na het doorlopen van de wachttijd is aan appellant met ingang van 10 maart 2001 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 15 tot 25% en de WAO-uitkering op die grond herzien per 6 oktober 2004. Appellant is ongeschikt geacht voor zijn werk als netwerkmedewerker, maar aan hem is toen een aantal functies als passend voorgehouden, zoals die van produktiemedewerker metaal- en elektroindustrie (ophanger/afnemer; Sbc-code 111171). Op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2004 heeft het Uwv, na vernietiging van drie eerdere besluiten op bezwaar, uiteindelijk beslist bij besluit van 29 april 2009. Aan dit besluit op bezwaar, waartegen geen beroep is ingesteld, ligt (mede) de geschiktheid van appellant voor de functie van ophanger/afnemer ten grondslag.

6. Gelet op het vorenstaande moet ervan worden uitgegaan dat het Uwv terecht de functie van ophanger/afnemer voor appellant passend heeft geacht, zodat deze functie als maatstaf voor zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW kan gelden.

7. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

TM