Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-2194 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Appellantes destijds behandelende psychiater heeft op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts informatie verstrekt over haar psychische gesteldheid. Deze heeft onder meer als diagnose recidiverende depressies met psychotische kenmerken gesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op haar spreekuur gezien en op grond van haar bevindingen en de overige voorhanden informatie geconcludeerd, dat appellante in staat wordt geacht gangbare arbeid te verrichten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bleek er een discrepantie te bestaan tussen de anamnese en de objectiveerbare bevindingen. Voorts is aangegeven dat er geen harde objectieve grond is voor het aannemen van een urenbeperking, nu naar objectieve maatstaven gemeten niet van een ernstige lichamelijke of psychische ziekte kan worden gesproken. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar psychische beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2194 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 februari 2008, 07/2057 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster en is in 1985 arbeidsongeschikt geworden. Laatstelijk ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts T. Elbertsen appellante op 29 maart 2006 onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat er bij appellante sprake is van lichte psychische en fysieke beperkingen. De verzekeringsarts heeft de voor appellante toepasselijke mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 29 maart 2006. Aan de hand van de FML en de arbeidsmogelijkhedenlijst van 27 april 2006 heeft de arbeidsdeskundige E. Beemsterboer functies geselecteerd. In het door Beemsterboer op 24 mei 2006 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op circa 1% moet worden gesteld, zodat appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Bij besluit van 29 mei 2006 heeft het Uwv met ingang van 25 juli 2006 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 2 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geconcludeerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden geeft de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit in twijfel te trekken. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep wederom gesteld dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft in dat verband aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten en onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts E. Engdall van 20 juni 2005 heeft zij gesteld dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Voorts heeft appellante gesteld dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante bij brief van 9 juli 2009 nog een aantal stukken ingezonden.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het ingenomen standpunt gehandhaafd. De bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft bij rapportage van 20 juli 2009 nog gereageerd op de door appellante ingezonden stukken en daarbij geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de belastbaarheid van appellante te wijzigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad evenmin als de rechtbank redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

4.2. Appellantes destijds behandelende psychiater P.R. Rambharos heeft op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza bij brief van 21 december 2006 informatie verstrekt over haar psychische gesteldheid. Deze heeft onder meer als diagnose recidiverende depressies met psychotische kenmerken gesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op haar spreekuur van 13 december 2006 gezien en op grond van haar bevindingen en de overige voorhanden informatie geconcludeerd, dat appellante in staat wordt geacht gangbare arbeid te verrichten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bleek er een discrepantie te bestaan tussen de anamnese en de objectiveerbare bevindingen. Voorts is aangegeven dat er geen harde objectieve grond is voor het aannemen van een urenbeperking, nu naar objectieve maatstaven gemeten niet van een ernstige lichamelijke of psychische ziekte kan worden gesproken. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar psychische beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De bevindingen van de behandelde psychiater zijn in het onderzoek betrokken en de Raad is niet gebleken dat dit op onzorgvuldige en onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Dat de verzekeringsarts Engdall meer (psychische) beperkingen en voorts een urenbeperking heeft aangenomen doet hier niet aan af nu het desbetreffende rapport dateert uit 2005 en het Uwv zich op meer recente (medische) informatie heeft gebaseerd.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM