Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
07-5750 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag onderschreven. De Raad heeft in de omstandigheid dat appellante van 17 januari 2007 tot en met 10 april 2007 in was opgenomen en haar WAO-uitkering bij besluit van 16 januari 2007 is verhoogd naar de klasse 80 tot 100% geen aanleiding gezien te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 16 april 2006, onjuist is ingeschat. De Raad overweegt daartoe dat appellante ten tijde in geding voor haar psychische klachten weliswaar medicatie kreeg, maar dat zij niet meer onder behandeling stond van een psychiater. Ook anderszins blijkt uit de in bezwaar door de huisarts toegezonden medische stukken niet dat ten tijde in geding appellante op psychische gronden meer of zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5750 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 augustus 2007, 07/20 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Rietveldt, advocaat te Hoogezand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Voor appellante is verschenen mr. Rietveldt, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 16 april 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Het door appellante tegen het besluit van 15 februari 2006 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 22 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. Daarbij is de WAO-uitkering van appellante ingaande 16 april 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit rust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen bij hun beoordeling rekening hebben gehouden met de afgenomen belastbaarheid van de rug, de afwijkingen aan de knie en - ondanks dat er volgens de verzekeringsartsen geen sprake was van een duidelijk depressie - psychische beperkingen hebben aangenomen. De rechtbank heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het standpunt van appellante dat zij op psychische en lichamelijke gronden zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. De rechtbank heeft appellante voorts niet gevolgd in haar stelling dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende gekwalificeerd is om een oordeel te geven over de psychische beperkingen bij appellante. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar het oordeel van de rechtbank passend.

4. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv de ernst van haar psychische beperkingen heeft miskend en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van de voor haar vastgestelde (psychische) beperkingen. Appellante heeft betoogd dat uit de in beroep door haar in geding gebrachte stukken blijkt dat zij vanwege psychische klachten in behandeling was en is bij Lentis en dat zij van 17 januari 2007 tot en met 10 april 2007 opgenomen is geweest in De Berkenhof. Het Uwv heeft haar ingaande 16 januari 2007 weer volledig arbeidsongeschikt geacht. Het Uwv heeft naar de mening van appellante voorts onvoldoende gemotiveerd waarom appellante, die van 30 juni 2003 tot 16 april 2006 eveneens een WAO-uitkering ontving naar de hoogste klasse, bij gelijk gebleven klachten, gedurende 9 maanden wel benutbare mogelijkheden zou hebben. Appellante heeft verder gesteld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit evenmin stand kan houden nu deze gebaseerd is op het onjuiste standpunt van de bezwaarverzekeringsarts.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. De verzekeringsartsen, die appellante hebben onderzocht, hebben bij haar geen duidelijk depressie vastgesteld. In verband met de klachten van appellante van depressieve en licht psychotische aard hebben de verzekeringsartsen reden gezien beperkingen aan te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad heeft in de omstandigheid dat appellante van 17 januari 2007 tot en met 10 april 2007 in De Berkenhof was opgenomen en haar WAO-uitkering bij besluit van 16 januari 2007 is verhoogd naar de klasse 80 tot 100% geen aanleiding gezien te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 16 april 2006, onjuist is ingeschat. De Raad overweegt daartoe dat appellante ten tijde in geding voor haar psychische klachten weliswaar medicatie kreeg, maar dat zij niet meer onder behandeling stond van een psychiater. Ook anderszins blijkt uit de in bezwaar door de huisarts G.A. Lochern toegezonden medische stukken niet dat ten tijde in geding appellante op psychische gronden meer of zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv.

5.2. De Raad is verder van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige J.J.S. Tolsma bij rapportage van 21 november 2006 genoegzaam heeft aangetoond dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 16 november 2006, zodat er van moet worden uitgegaan dat appellante deze functies in medisch opzicht kan verrichten.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK