Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-4052 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen ter zake in de aangevallen uitspraak. De ingebrachte informatie van de behandelend psychotherapeut dat reeds in bezwaar was overgelegd, is door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv betrokken in diens onderzoek. Met de rechtbank acht de Raad de geschiktheid van deze functies voor appellante in voldoende mate toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages. Ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde grief, dat drie functies niet geschikt zijn te achten omdat appellante niet in staat is te werken temidden van een (grote) groep mensen wijst de rechtbank op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 april 2007, die naar aanleiding van vragen van de rechtbank is opgesteld, waarin voldoende is gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn te achten – kort gezegd: appellante kan wel in één ruimte met anderen verkeren, terwijl direct contact met anderen voor het werk als zodanig niet vereist is – . Daarbij heeft tevens overleg plaatsgevonden met de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4052 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 mei 2008, 06/2236 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 31 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, omdat zij voor minder dan 25% arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 30 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien N.J. de Mooij, psychiater/psychotherapeut, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 8 februari 2008 van zijn bevindingen verslag gedaan. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat hij kan instemmen met de in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst voor appellante vastgestelde beperkingen. Daarnaast is de deskundige van mening dat appellante op de datum in geding in staat was om 38 uur per week te werken. Gelet op de conclusies van de deskundige, is de rechtbank van oordeel dat de belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit niet is overschat. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in vaste jurisprudentie besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige, in beginsel wordt gevolgd. In het onderhavige geval heeft de rechtbank geen aanleiding gezien van dit beginsel af te wijken. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar brieven van psychotherapeut A. van Mazijk van 13 maart 2006, gesteld dat zij per de datum in geding niet in staat was arbeid te verrichten. De aan de schatting ten grondslag liggende functies kan zijn niet vervullen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de belastbaarheid van appellante bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen ter zake in de aangevallen uitspraak. De ingebrachte informatie van Van Mazijk dat reeds in bezwaar was overgelegd, is door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv betrokken in diens onderzoek. Daarin is naar het oordeel van de Raad, geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd, waarvoor appellante geschikt is te achten. Het gaat om de functies productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (sbc-code 111010), huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en inpakker (handmatig) (sbc-code 111190). Met de rechtbank acht de Raad de geschiktheid van deze functies voor appellante in voldoende mate toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages. Ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde grief, dat bovenvermelde eerste drie functies niet geschikt zijn te achten omdat appellante niet in staat is te werken temidden van een (grote) groep mensen wijst de rechtbank op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 april 2007, die naar aanleiding van vragen van de rechtbank is opgesteld, waarin voldoende is gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn te achten – kort gezegd: appellante kan wel in één ruimte met anderen verkeren, terwijl direct contact met anderen voor het werk als zodanig niet vereist is – . Daarbij heeft tevens overleg plaatsgevonden met de bezwaarverzekeringsarts. In hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten te concluderen dat er onvoldoende geschikte functies zijn om de schatting op te baseren.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM