Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-5387 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. De Raad ziet in het door appellant ingebrachte rapport van een psychiater onvoldoende aanleiding om de conclusies van de door de verzekeringsarts ingeschakelde psychiater en de daarop berustende oordelen van de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen niet te volgen. De Raad is dan ook van oordeel dat er onvoldoende reden is voor twijfel aan de voor appellant vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5387 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 28 juli 2008, 07/3467 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W.M. Beers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als schoonmaker, toen hij in 1985 uitviel met psychische klachten en maag/darmklachten. Per 2 oktober 1986 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Appellant is enige keren herbeoordeeld, waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse ongewijzigd is vastgesteld.

1.2. Op 21 februari 2006 is appellant gezien door een verzekeringsarts, die hem heeft laten onderzoeken door psychiater E.F. van Ittersum. De verzekeringsarts heeft onder overneming van de conclusies van Van Ittersum appellant belastbaar geacht met gangbare arbeid en een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld waarin alleen fysieke beperkingen zijn aangegeven. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings­ en Borgingssysteem en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 46,97%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 29 november 2006 de WAO­uitkering van appellant met ingang van 28 januari 2007 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Bij besluit van 10 april 2007 (bestreden) besluit heeft het Uwv het namens appellant tegen het besluit van 29 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat geen informatie is gevraagd aan de behandelend psychiater. Appellant is psychisch zodanig beperkt dat hij niet in een arbeidssituatie kan functioneren. Voorts acht appellant de functie schoonmaker gebouwen niet geschikt omdat in die functie op het aspect knielen en hurken de normaalwaarde wordt overschreden. Tenslotte zou de rechtbank in de aangevallen uitspraak een onjuist arbeidsongeschiktheidspercentage hebben vermeld.

4. Het Uwv heeft zijn standpunt ongewijzigd gehandhaafd.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. In dat verband overweegt de Raad dat de primaire verzekeringsarts appellant op het spreekuur heeft gezien en hem, omdat hij twijfelde aan de psychische belastbaarheid, heeft laten onderzoeken door de psychiater Van Ittersum. In bezwaar is geen nadere medische informatie ingebracht.

5.2.1. Psychiater Van Ittersum concludeert in zijn rapport van 29 september 2006 dat er ten tijde van zijn onderzoek geen aanwijzingen waren voor ziekte in psychiatrische zin. Conform de informatie van de huisarts is bij appellant sprake van een depressie in remissie. Een door appellant aangegeven waanstoornis werd niet bevestigd door observatie. Voorts waren er geen aanwijzingen voor een invaliderende persoonlijkheidsstoornis. Wel was er een scala van lichamelijke klachten, maar zonder lichamelijk substraat. In dat verband merkt Van Ittersum op dat de huisarts aangeeft dat appellant aggraveert. Hij stelde de GAF-score op 50 à 60.

5.2.2. In eerste aanleg heeft appellant, onder meer, informatie ingebracht van de crisisdienst van psycho-medisch centrum Parnassia en een rapport van psychiater V.M. Artist, die appellant op diens verzoek op 6 juni 2007 heeft onderzocht. Artist concludeert dat bij appellant sprake is van een chronische aanpassingsstoornis, niet gespecificeerd, en simulatie. Hij heeft geen psychiatrische ziekte in engere zin vastgesteld. Voorts zou sprake zijn van afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidskenmerken. Hij acht de GAF-score ten tijde van zijn onderzoek 40, maar in het afgelopen jaar tot maximaal 60. Artist kan zich gedeeltelijk verenigen met de rapportage van Van Ittersum. Hij deelt diens conclusie dat sprake is van aggravatie, maar acht wel psychische problematiek aanwezig en sluit de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis niet uit. Hij meent dat appellant vanwege de bij hem bestaande problematiek zich nauwelijks in sociale situaties zal kunnen handhaven, waardoor van het verrichten van arbeid amper iets kan worden verwacht.

5.2.3. De Raad ziet in het rapport van psychiater Artist onvoldoende aanleiding om de conclusies van psychiater Van Ittersum en de daarop berustende oordelen van de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen J.H.M. de Brouwer en R.A. Admiraal niet te volgen. De Raad is dan ook van oordeel dat er onvoldoende reden is voor twijfel aan de voor appellant vastgestelde beperkingen.

5.4. Voorts is de Raad van oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies schoonmaker hotel, huishoudelijk medewerker en schoonmaker gebouwen, mede gelet op de toelichting op de signaleringen in de functiebelastingen van deze functies, voor hem geschikt kunnen worden geacht. De grief van appellant dat de belasting op knielen en hurken de normaalwaarde overschrijdt, slaagt gezien de in eerste aanleg gegeven toelichting van bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy, die de Raad plausibel voorkomt, niet.

5.5. Tenslotte merkt de Raad op dat de rechtbank inderdaad een onjuist arbeidsongeschiktheidspercentage heeft vermeld. Dit moet zijn 50,7%. De Raad merkt dit aan als een kennelijke verschrijving, die geen invloed heeft op de arbeidsongeschiktheidsklasse. De Raad ziet dan ook geen aanleiding de aangevallen uitspraak om deze reden te vernietigen.

5.6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden de WAO-uitkering van appellant heeft herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

EK