Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-1043 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde arbeidskundige rapportages, de aan appellante geduide functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1043 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 januari 2008, 07/185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, voorheen werkzaam als champignonplukster, heeft zich met ingang van 17 april 2004 ziek gemeld in verband met rugklachten. Op grond van de resultaten van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante in staat is met arbeid meer dan 65% van het zogenoemde maatmaninkomen te verdienen. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 15 april 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 11 januari 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding is om de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen en de aan de hand daarvan door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. Het onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en de conclusies zijn van een voldoende draagkrachtige motivering voorzien. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen. Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat het Uwv ten onrechte de omvang van de maatman heeft gemaximeerd op 38 uur per week. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten nu het Uwv in beroep een herberekening heeft uitgevoerd uitgaande van de juiste maatmanomvang van 40 uur, welke niet heeft geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%.

3.1. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht, kort samengevat, dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij op de in het geding zijnde datum geen benutbare mogelijkheden had. Er is ten onrechte voorbij gegaan aan de eindrapportage van het reïntegratiebureau OCA van 4 april 2006 waarin aan de verzekeringsarts van het Uwv wordt geadviseerd appellante psychiatrisch te laten onderzoeken.

3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter motivering van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van 26 maart 2007 en 25 maart 2008 voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom het advies van het OCA om appellante psychiatrisch te laten onderzoeken niet is opgevolgd.

4.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde arbeidskundige rapportages, de aan appellante geduide functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten.

4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM