Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-3727 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de gestelde artrose en chronische slijmbeursontsteking niet bij de beoordeling van de belastbaarheid hoefden te worden betrokken, omdat ze dateren van na de datum in geding zijnde 30 mei 2007. Uit de dossierstukken blijkt dat appellante al voor de datum in geding, namelijk op 11 mei 2007 en op 21 mei 2007 telefonisch contact heeft gehad met een medisch beoordelaar van het Uwv en heeft aangegeven dat er foto’s zijn gemaakt, dat is gebleken dat sprake is van artrose en slijtage in beide handen en dat zij geopereerd moet worden. Gelet hierop had het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts gelegen hierover navraag te doen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit nagelaten. De Raad is echter van oordeel dat dit zonder gevolgen kan blijven gelet op de omstandigheid dat appellante geen medisch stuk in het geding heeft gebracht waaruit de gestelde aandoeningen blijken dan wel op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van het besluit op bezwaar. In hetgeen appellante in hoger beroep verder heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3727 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ,s-Gravenhage van 14 mei 2008, 07/6511 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. L.C. Blok, advocaat te Leiden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 30 mei 2007 geen recht is ontstaan op een WGA-uitkering vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 6 augustus 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen.

Er is geen aanleiding het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig te achten.

Er zijn geen aanknopingspunten dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante vanwege pijnklachten aan haar linkerpols en -hand een aantal medische beperkingen heeft en aangewezen is op werk waarbij ze de linkerpols en -hand kan ontzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) aangepast voor wat betreft de beperkingen aan de linkerhand van appellante. Alle relevante greep- en krachtbeperkingen zijn hierbij meegewogen. De beroepsgrond van appellante dat haar klachten zijn verergerd, kan niet slagen. Op basis van de medische gegevens voorhanden op de datum in geding kunnen alleen de problemen van appellante aan haar linkerpols worden geobjectiveerd. Dat bij appellante fibromyalgie is geconstateerd en dat zij last heeft van haar rechterarm en benen is pas in beroep naar voren gebracht en is op de datum in geding niet gebleken. De stelling dat de reumatoloog toegenomen beperkingen heeft vastgesteld, is niet met medische stukken onderbouwd en ziet bovendien niet op de datum in geding. Deze klachten kunnen dan ook niet worden meegewogen bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante op 30 mei 2007. Appellante heeft voorts in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Mede in verband hiermee ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige aan te stellen voor nader onderzoek naar de belastbaarheid van appellante.

De belastbaarheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies past binnen de opgestelde FML. Er is afdoende gemotiveerd waarom de signaleringen geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante. Appellante was dan ook per 30 mei 2007 in staat de aan haar voorgehouden functies te verrichten. Aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 mei 2007 minder dan 35% bedraagt, is de gevraagde uitkering terecht geweigerd.

4. Appellante heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd – gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsartsen de artrose, de andere reumatologische klachten en chronische slijmbeursontsteking niet bij de beoordeling van de belastbaarheid hebben betrokken. Verder heeft appellante herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat de aan haar voorgehouden functies niet passend zijn en daarom niet aan de schatting ten grondslag gelegd hadden mogen worden.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De bezwaarverzekeringsarts P. Momberg heeft in haar rapport van 12 juli 2007 aangegeven dat de gestelde artrose en chronische slijmbeursontsteking niet bij de beoordeling van de belastbaarheid hoefden te worden betrokken, omdat ze dateren van na de datum in geding zijnde 30 mei 2007. Uit de dossierstukken blijkt dat appellante al voor de datum in geding, namelijk op 11 mei 2007 en op 21 mei 2007 telefonisch contact heeft gehad met een medisch beoordelaar van het Uwv en heeft aangegeven dat er foto’s zijn gemaakt, dat is gebleken dat sprake is van artrose en slijtage in beide handen en dat zij geopereerd moet worden. Gelet hierop had het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts gelegen hierover navraag te doen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit nagelaten. De Raad is echter van oordeel dat dit zonder gevolgen kan blijven gelet op de omstandigheid dat appellante geen medisch stuk in het geding heeft gebracht waaruit de gestelde aandoeningen blijken dan wel op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van het besluit op bezwaar.

6.2. In hetgeen appellante in hoger beroep verder heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Voor de daartoe strekkende stelling van appellante is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake volledig en maakt die tot de zijne.

7. Uitgaande van de op 12 juli 2007 aangepaste FML is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

8. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

EK