Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-907 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. In artikel 8 van het Schattingsbesluit is bepaald dat onder meer in het geval van herziening van de WAO-uitkering geen rekening wordt gehouden met na de eerste beoordeling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt geïndexeerd aan de hand van het ten tijde van het arbeidsdeskundige onderzoek geldende, door het CBS gepubliceerde cijfer. Het Schattingsbesluit biedt geen grondslag voor actualisering als door appellante betoogd. Het standpunt van appellante dat indexering ertoe leidt dat het inkomensverlies dat het gevolg is van ziekte en/of gebrek niet voldoende wordt gecompenseerd en mitsdien in strijd is met artikel 18 van de WAO treft geen doel. De Raad wijst erop dat op grond van artikel 18, achtste lid, van de WAO met betrekking tot het bepaalde in dat artikel nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 8
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/907 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2007, 07/693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 oktober 2006 is de aan appellante toegekende WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, per 18 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 februari 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.

De wijze van indexering van het maatmaninkomen is geregeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Niet in geschil is dat het Uwv bij de indexering de juiste indexcijfers heeft gebruikt die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn gepubliceerd. De stelling van appellante dat haar maatmaninkomen niet had mogen worden geïndexeerd nu haar geïndexeerde maatmaninkomen ver is achtergebleven bij het loon dat appellante daadwerkelijk verdient, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het Uwv een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de regels zoals deze zijn vastgelegd in het Schattingsbesluit.

4. Appellante heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd – gesteld dat haar maatmaninkomen op onjuiste wijze is vastgesteld, omdat het inkomensverlies dat ze door haar arbeidsongeschiktheid lijdt niet naar behoren wordt gecompenseerd. Volgens appellante wordt hierdoor onvoldoende recht gedaan aan het uitgangspunt van de WAO, zijnde het bieden van compensatie van inkomensverlies ten gevolge van ziekte of gebrek. Dat levert in de visie van appellante – zij heeft verwezen naar de rechtspraak van de Raad met betrekking tot de maximering van de urenomvang van de maatman – strijd op met artikel 18 van de WAO. Appellante is derhalve van mening dat in haar geval het maatmaninkomen niet had moeten worden geïndexeerd, maar geactualiseerd. Appellante heeft voorts gesteld dat sprake is van strijd met het internationale recht.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. In artikel 8 van het Schattingsbesluit is bepaald dat onder meer in het geval van herziening van de WAO-uitkering geen rekening wordt gehouden met na de eerste beoordeling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt geïndexeerd aan de hand van het ten tijde van het arbeidsdeskundige onderzoek geldende, door het CBS gepubliceerde cijfer. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit hetgeen appellante heeft aangevoerd geenszins volgt dat het Uwv niet overeenkomstig artikel 8 van het Schattingsbesluit heeft gehandeld. Het Schattingsbesluit biedt geen grondslag voor actualisering als door appellante betoogd.

6.2. Het standpunt van appellante dat indexering ertoe leidt dat het inkomensverlies dat het gevolg is van ziekte en/of gebrek niet voldoende wordt gecompenseerd en mitsdien in strijd is met artikel 18 van de WAO treft geen doel. De Raad wijst erop dat op grond van artikel 18, achtste lid, van de WAO met betrekking tot het bepaalde in dat artikel nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld. Anders dan in de door appellante bedoelde uitspraken van de Raad ter zake van de maximering van de urenomvang van de maatman is er in dit geval geen sprake van dat het besluit berust op een regeling die strijdt met de grondslagen van artikel 18 van de WAO.

7. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling en/of schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK