Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
07-7008 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand op grond van onvoldoende medewerking aan onderzoek naar de woonsituatie. De Raad is met appellante van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek op 19 januari 2006 uitwijzen dat ook in de periode tot die datum de woon- en leefsituatie van appellante niet is gewijzigd en bovendien toereikend waren om haar woon- en leefsituatie vast te stellen. Ondersteund door verklaring van een buurtbewoner. Wettelijke rente. Geen schadevergoeding. Geen proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2007, 06/3004 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 augustus 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 november 2005 is aan appellante met ingang van 5 september 2005 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

1.2. Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 25 januari 2006 ingetrokken op de grond dat appellante onvoldoende medewerking heeft verleend aan een onderzoek naar haar woonsituatie.

1.3. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2006 ongegrond verklaard op de grond dat door het niet meewerken aan het huisbezoek op 25 januari 2006 niet (langer) kan worden vastgesteld of appellante verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In het kader van de aanvraag om bijstand van appellante van 5 september 2005 is een onderzoek ingesteld naar haar woon- en leefsituatie. Daartoe is op 27 oktober 2005 een huisbezoek afgelegd op het door appellante opgegeven adres [adres 1] te [plaatsnaam], heeft op 28 oktober 2005 een buurtonderzoek plaatsgevonden waarbij drie buurtbewoners zijn gehoord en is op 8 november 2005 bij appellante aangebeld om te kijken of zij thuis was, hetgeen het geval was. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College geconcludeerd dat de woon- en leefsituatie van appellante in overeenstemming is met haar opgave en is aan appellante bijstand toegekend zoals vermeld onder 1.1.

4.2. Vervolgens hebben medewerkers van het College op 18 januari 2006, nadat appellante op 4, 17 en 18 januari 2006 niet thuis werd getroffen, een uitnodiging voor een gesprek op 19 januari 2006 voor haar achtergelaten. Op 19 januari 2006 heeft appellante zich gemeld en desgevraagd haar woonsituatie nader toegelicht, waarna een huisbezoek heeft plaatsgevonden. Bij dit huisbezoek hebben twee medewerkers van het College de woonkamer, de bijkeuken, de slaapkamer en de badkamer bekeken. Vervolgens hebben deze medewerkers het huisbezoek afgebroken vanwege, zo staat in hun rapport van

25 januari 2006 vermeld, de storende aanwezigheid van appellantes broer en een - voor de medewerkers - onbekende man. Bij brief van 20 januari 2006 is appellante uitgenodigd zich op 25 januari 2006 opnieuw op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen te melden met als doel om aansluitend alsnog een behoorlijke beoordeling van de woonsituatie te verrichten. Aan deze uitnodiging heeft appellante geen gehoor gegeven, omdat zij in haar visie het College op 19 januari 2006 voldoende mogelijkheden heeft geboden om haar woonsituatie vast te stellen.

4.3. Artikel 17, eerste lid, (tekst tot 1 januari 2008) van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.4. Indien de belanghebbende deze inlichtingen/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan tevens niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.6. Uit de gedingstukken, in het bijzonder de rapportage van 25 januari 2006 van de onder 4.2 genoemde huisbezoeken, leidt de Raad af dat er op 25 januari 2006 geen objectieve feiten en omstandigheden waren op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de door appellante omtrent haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. Niet is gebleken dat in die situatie tussen 5 september 2005 en 25 januari 2006 een wijziging is opgetreden. Integendeel, de Raad is met appellante van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek op 19 januari 2006 uitwijzen dat ook in de periode tot die datum de woon- en leefsituatie van appellante niet is gewijzigd en bovendien toereikend waren om haar woon- en leefsituatie vast te stellen. Deze ongewijzigde situatie wordt ook ondersteund door de op 18 januari 2006 tegenover de medewerkers van het College afgelegde verklaring van een buurtbewoner, die de voornaam van appellante noemde als zijnde de persoon die woonachtig is op de [adres 1], en voorts verklaarde dat zij deze persoon daar geregeld ziet.

4.7. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er al op 19 januari 2006 geen redelijke grond bestond voor een huisbezoek bij appellante, laat staan op 25 januari 2006. Derhalve was het voor de uitvoering van de WWB niet redelijkerwijs nodig dat appellante haar medewerking zou verlenen aan een nieuw huisbezoek. Onder deze omstandigheden is het appellante niet te verwijten dat zij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van 20 januari 2006, omdat deze enkel tot doel had om op 25 januari 2006 wederom een huisbezoek af te leggen.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het College niet bevoegd was de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 25 januari 2006 in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 27 april 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens een ondeugdelijke motivering met toepassing van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu het besluit van 2 februari 2006 berust op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken, grondslag als het besluit van 27 april 2006 en dat gebrek niet meer kan worden hersteld, zal de Raad dat besluit herroepen.

5.1. Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat appellante als gevolg van het besluit van 27 april 2006 schade heeft geleden. Deze bestaat uit vertraging in de uitbetaling van de bijstand. Het verzoek van appellante om het College te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente komt dan ook op grond van artikel 8:73 van de Awb voor toewijzing in aanmerking. Op de gemeente Amsterdam rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Volgens vaste rechtspraak neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is de bijstand ten onrechte ingetrokken met ingang van 25 januari 2006. Dit betekent dat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze maand wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 maart 2006 en wel tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

5.2. Voor toewijzing van het verzoek van appellante om het College te veroordelen tot schadevergoeding van de uit de vertraagde betaling van de bijstand voortgevloeide kosten, zoals de gevolgen van het kwijtraken van de woning, ziet de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 juni 2009, LJN BJ0922, geen plaats.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding, nu niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is gebleken. De door appellante genoemde portokosten kunnen niet worden vergoed, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in een vergoeding van deze kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 april 2006;

Herroept het besluit van 2 februari 2006;

Veroordeelt het College tot schadevergoeding zoals in overweging 5.1 van deze uitspraak is aangegeven;

Bepaalt dat het College aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ