Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
08-4128 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv aan (de) rapportages in samenhang met het feit dat tegen de intrekking van de WAO-uitkering in 2003 wel bezwaar is gemaakt, maar van beroep tegen het voor betrokkene negatieve besluit op bezwaar werd afgezien, de conclusie kunnen verbinden dat betrokkene op de leeftijd van 17 en 18 jaar – uitgaande van de toen bestaande beperkingen die niet wezenlijk verschilden van de beperkingen die vastliggen in de FML van 30 mei 2003 – in staat moet zijn geweest met het vervullen van voor hem passende functies het minimumloon te verdienen. In de praktijk is dit ook gebleken (...). Dat betekent dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat betrokkene op de leeftijd van 17 en 18 jaar, dan wel na afronding van zijn opleiding, ook in staat moet zijn geweest om met zijn beperkingen te functioneren in functies zoals die hem bij de intrekking van de WAO-uitkering bij wijze van voorbeeld zijn voorgehouden en daarmee ten minste het minimumloon te verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4128 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 mei 2008, 06/1979 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellant werd vertegenwoordigd door J. van Dalfsen. Betrokkene verscheen samen met H. van Gelder, werkzaam bij de Stichting ROZIJ Werk te Zwolle en zijn jobcoach G. Schepen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.

De zaak is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de meervoudige kamer van de Raad van 31 juli 2009. Appellant heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehof. Voor betrokkene is

H. van Gelder verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1968, heeft op 16 december 2005 een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 16 maart 2006 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de intrekking met ingang van 21 augustus 2003 van de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onjuist zou zijn.

1.2. Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 maart 2006 bezwaar gemaakt. Zijn bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 21 juli 2006 (hierna: bestreden besluit). Aan dit besluit ligt een rapportage ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M.B.M. van Hoeij van 1 juni 2006. Van Hoeij heeft op basis van een volledig inhoudelijk onderzoek het standpunt ingenomen dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Uit de informatie van de RIAGG van september 2005, waaruit blijkt dat bij betrokkene sprake is van een stoornis in het autistisch spectrum (aangeduid als PDD-NOS), volgt naar het oordeel van Van Hoeij niet dat de in 2003 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen juist beeld geeft van de toen bestaande beperkingen van betrokkene in het persoonlijk en sociaal functioneren. Het feit dat betrokkene tot de leeftijd van 25 jaar volledig heeft gewerkt in reguliere arbeid tegen een normale loonwaarde is voor Van Hoeij een voldoende aanwijzing dat betrokkene op 17-jarige leeftijd niet meer beperkingen had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de door haar benoemde deskundige, psychiater J. de Vries, die in een drietal rapportages heeft uiteengezet dat PDD-NOS leidt tot beperkingen voor werkdruk, het hanteren van onverwachte situaties en het omgaan met conflicten en dat deze beperkingen bij betrokkene ook al bestonden op de leeftijd van 17 jaar. Betrokkene heeft naar het oordeel van De Vries alleen in arbeid kunnen functioneren omdat zijn werkgevers speciale condities boden in de vorm van sociale steun en begeleiding op de werkvloer. Naar het oordeel van de rechtbank berust de weigering om betrokkene in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering niet op een juiste grondslag.

3.1. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de in beroep ingebrachte rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts A. Laros samengevat betoogd dat de rechtbank met het volgen van de deskundige bij de beoordeling van het bestreden besluit de medische situatie van betrokkene tot uitgangspunt heeft genomen zoals die is ontstaan na het hem in 1989 overkomen ongeval en niet de medische situatie in 1985 en 1986, toen betrokkene 17 respectievelijk 18 jaar oud was. Appellant gaat in navolging van zijn bezwaarverzekeringsarts uit van een verslechtering van de toestand na de in het kader van de Wajong-aanvraag relevante beoordelingsdata.

3.2. Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld. Namens hem is herhaald dat betrokkene met de van jongs af aan bestaande beperkingen nooit in staat is geweest om reguliere arbeid te verrichten en alleen heeft kunnen werken bij werkgevers die tot zijn indienstneming bereid werden gevonden door bemiddeling door zijn vader dan wel een re-integratiebureau.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat indien een betrokkene geruime tijd na de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indient en niet, althans niet genoegzaam, kan worden ingezien dat hij niet in staat was om deze aanvraag eerder in te dienen, naar vaste rechtspraak van de Raad het feit dat de medische situatie van betrokkene niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor zijn rekening en risico komt. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu betrokkene eerst een aanvraag heeft ingediend voor een Wajong-uitkering toen hij 37 jaar oud was.

4.2. Met betrekking tot de medische situatie van betrokkene bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar en op de dag 52 weken nadien overweegt de Raad dat met de rapportages van de RIAGG en psychiater De Vries vaststaat dat betrokkene beperkingen ondervindt als gevolg van PDD-NOS. Ook staat vast dat deze stoornis zich in de kindertijd ontwikkelt en beperkingen meebrengt in het persoonlijk en sociaal functioneren. Ten tijde van de WAO-beoordeling in 2003 was de diagnose PDD-NOS nog niet gesteld. Bij zijn heroverweging in bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Van Hoeij nagegaan of er uitgaande van deze diagnose aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene meer beperkingen heeft dan zijn neergelegd in de FML van 30 mei 2003. Naar zijn oordeel is dat niet het geval.

4.3.1. Ook de Raad is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat betrokkene op de leeftijd van 17 en 18 jaar, dan wel direct na het voltooien van zijn opleiding, verdergaand beperkt was dan in de FML is verwoord.

4.3.2. In 2003 hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgesteld dat betrokkene is aangewezen op een voorspelbare werksituatie omdat hij niet flexibel kan inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken en op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat. Verder is aangenomen dat betrokkene niet in staat is om complexe teksten te lezen en dat hij sterk beperkt is in het omgaan met conflicten. Er is een duurbeperking vastgesteld van ongeveer 8 uur per dag en ongeveer 30 uur per week en betrokkene wordt niet in staat geacht om in de avond of nacht te werken.

4.3.3. In de rapportage van de RIAGG van september 2005 wordt betrokkene beschreven als iemand die moeite heeft om contacten met leeftijdgenoten te ontwikkelen en in de sociale interactie problemen tegenkomt in het oppikken van signalen en spanningen in het contact, waarbij zelfbeleving en werkelijkheid soms op gespannen voet staan. De discrepantie tussen zelfbeeld en ervaringen in het dagelijks leven leveren een zekere wrijving of onbewuste spanning op. Verder zijn er in het gedrag enkele starre patronen waar te nemen. Naar het oordeel van de Raad heeft Van Hoeij in zijn rapportage van 1 juni 2006 het standpunt kunnen betrekken dat de in de FML verwoorde beperkingen aansluiten bij de actuele bevindingen van de RIAGG.

4.3.4. De psychiater De Vries heeft in haar op 3 januari 2008 door de rechtbank ontvangen rapportage desgevraagd als haar mening neergelegd dat de in de FML verwoorde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren passen bij de stoornis van betrokkene en dat er bij hem geen sprake is van meer beperkingen dan door appellant is aangenomen. Daarmee geeft zij antwoord op de vraag van de rechtbank om de beperkingen van betrokkene op zijn 17e verjaardag te benoemen.

4.3.5. Nu appellant geen medische gegevens heeft ingebracht waaruit met betrekking tot zijn beperkingen op de leeftijd van 17 en 18 jaar een ander beeld naar voren komt, heeft appellant naar het oordeel van de Raad bij de beoordeling van de Wajong-aanvraag terecht als uitgangspunt genomen dat betrokkene ook op de relevante beoordelingsdata niet verdergaand beperkt was als omschreven in de FML van 30 mei 2003. Voor de stelling van betrokkene dat hij meer beperkingen had, ontbreekt een onderbouwing. De vraag of de deskundige bij haar oordeelsvorming teveel betekenis heeft toegekend aan de gevolgen van het ongeval in 1989 kan naar het oordeel van de Raad onbeantwoord blijven, omdat de deskundige en de bezwaarverzekeringsartsen niet van mening verschillen over de beperkingen van betrokkene op zijn 17e verjaardag.

4.4. De deskundige verschilt met de bezwaarverzekeringsartsen wel van mening over de arbeidsmogelijkheden die betrokkene met zijn beperkingen heeft. De Vries heeft in haar rapportages onder verwijzing naar de brieven van de werkgevers [werkgever 1] en [werkgever 2], die zich bij de gedingstukken bevinden, uitvoerig uiteengezet dat betrokkene zich naar haar mening alleen in het arbeidsproces heeft kunnen handhaven omdat hij een vierdaagse werkweek had, assistentie kreeg op de werkvloer, van zijn collega’s en leidinggevende extra begrip werd gevraagd, zijn ziekteverzuim nauwkeurig werd gevolgd en een lagere productie werd geaccepteerd.

4.5.1. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om deze opvatting van de deskundige, die gelet op haar onderschrijving van de FML niet ziet op de omvang van de beperkingen van betrokkene maar veeleer op een beoordeling van de omstandigheden waarin betrokkene bij zijn werkgevers arbeid heeft kunnen verrichten, te volgen. De eerder bekend geworden gegevens met betrekking tot het functioneren van betrokkene bij [werkgever 1] bieden geen grond voor de veronderstelling van De Vries dat betrokkene nooit in staat is geweest om geheel zelfstandig en op normale wijze loonvormende arbeid te verrichten.

4.5.2. De Raad kent in dat verband betekenis toe aan de informatie die de arbeidsdeskundige in 1994 en 1996 van [werkgever 1] kreeg. In zijn rapportage van 15 december 1994 ten behoeve van beoordeling van de WAO-aanvraag maakt de arbeidsdeskundige melding van een gesprek met de werkgever in de persoon van de afdelingschef [naam afdelingschef], die meedeelt dat betrokkene altijd goed heeft gefunctioneerd en dat hij gedurende de 30 uur per week die hij op dat moment werkzaam is in het eigen werk een normale arbeidsprestatie levert. In het kader van een herbeoordeling heeft de arbeidsdeskundige op 23 januari 1996 opnieuw contact met de werkgever, ditmaal in de persoon van de directeur [naam directeur]. In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 24 januari 1996 is vermeld dat betrokkene onveranderd in het eigen werk gedurende 30 uur per week een volledige prestatie levert. Er is ook volgens de werkgever geen aanleiding om de destijds vastgestelde loonwaarde te herzien.

4.5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant aan deze rapportages in samenhang met het feit dat tegen de intrekking van de WAO-uitkering in 2003 wel bezwaar is gemaakt, maar van beroep tegen het voor betrokkene negatieve besluit op bezwaar werd afgezien, de conclusie kunnen verbinden dat betrokkene op de leeftijd van 17 en 18 jaar – uitgaande van de toen bestaande beperkingen die niet wezenlijk verschilden van de beperkingen die vastliggen in de FML van 30 mei 2003 – in staat moet zijn geweest met het vervullen van voor hem passende functies het minimumloon te verdienen. In de praktijk is dit ook gebleken, nu hij met zijn beperkingen in staat is geweest om een reeks van jaren gedurende een volledige werkweek arbeid te verrichten, die in overeenstemming was met zijn beperkingen, en in die arbeid een volwaardige prestatie te leveren. Ook nadat in verband met de in 1994 gemelde klachten de arbeidsomvang werd teruggebracht naar vier dagen per week kon betrokkene op de gewerkte dagen nog steeds aan de productie-eisen voldoen en werd door zijn werkgever niet geclaimd dat betrokkene het aan hem betaalde loon niet waard zou zijn omdat hij alleen met speciale begeleiding op de werkvloer gehandhaafd kon worden. Dat betekent dat appellant terecht heeft aangenomen dat betrokkene op de leeftijd van 17 en 18 jaar, dan wel na afronding van zijn opleiding, ook in staat moet zijn geweest om met zijn beperkingen te functioneren in functies zoals die hem bij de intrekking van de WAO-uitkering bij wijze van voorbeeld zijn voorgehouden en daarmee ten minste het minimumloon te verdienen.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad wel op een juiste grondslag berust. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van der Wiel en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG