Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-6539 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. Schending inlichtingenverplichting. De gegevens met betrekking tot de gevraagde verhuiskostenvergoeding, de aan appellante verleende thuiszorg, het huisbezoek op 25 oktober 2006 en de door de gemachtigde van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep aangedragen medische en andere gegevens wijzen wel duidelijk in de richting van het inwonend zijn van appellante in de woningen van haar dochter, dit met uitzondering van de periode dat haar dochter door onvoorziene omstandigheden langere tijd genoodzaakt was in Iran te verblijven. Ter zitting is erkend dat appellante in zoverre wel tekort is geschoten in de nakoming van haar inlichtingenverplichting. Dit heeft tot gevolg dat het recht op bijstand over de maanden april 2006 tot en met augustus 2006 thans niet meer met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Terugvordering dient beperkt te blijven tot de maanden april 2006 tot en met augustus 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6539 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 oktober 2008, 08/1598 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schmidt en haar dochter [naam dochter]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, gehandicapt en als vluchteling afkomstig uit Iran, heeft zich op 18 februari 2003 bij de vreemdelingenpolitie gemeld. Nadat haar een verblijfsvergunning was verstrekt, heeft het College haar met terugwerkende kracht tot 18 februari 2003 algemene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar of ouder. Haar aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten werd afgewezen op de grond dat zij bij haar dochter was gaan inwonen in een alleen via trappen toegankelijke, voor haar ongeschikte woonruimte.

1.2. Op een 15 juli 2004 ontvangen informatieformulier meldde appellante te zijn verhuisd van het adres [adres 1] te [plaatsnaam] naar het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. In het rapport heronderzoek van 31 augustus 2004 werd genoteerd dat zij nog steeds bij haar dochter verbleef. Bij een onaangekondigd huisbezoek op 25 oktober 2006 verklaarde de dochter samen met haar moeder te wonen; er werden bij bezichtiging van de woning geen bijzonderheden geconstateerd.

1.3. Naar aanleiding van een op 12 december 2006 ontvangen melding dat appellante mogelijk in Iran verbleef heeft de sociaal rechercheur C. Stolk een onderzoek ingesteld. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek, neergelegd in een rapport van 16 april 2007, heeft het College bij besluit van 20 juni 2007 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 18 februari 2003 tot en met 28 februari 2007 ingetrokken. Voorts heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over die periode van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 42.972,16 bruto en € 1.797,12 netto.

1.4. Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2007 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten afgewezen. Volgens het College heeft appellante in de periode van 18 februari 2003 tot met 28 februari 2007 niet op de opgegeven adressen gewoond en kan niet worden vastgesteld in hoeverre zij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft deze uitspraak bestreden. Zij stelt dat zij wel op de adressen bij haar dochter in [plaatsnaam] gewoond heeft, met uitzondering van de periode april-augustus 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat de door de sociaal rechercheur verzamelde gegevens met betrekking tot het energie- en waterverbruik van de adressen [adres 1] en [adres 2] te [plaatsnaam] op zich genomen geen grond bieden om aan te nemen dat deze adressen niet door twee personen zijn bewoond. Gelet op de hier te beoordelen periode van 18 februari 2003 tot en met 28 februari 2007 komt aan de omstandigheid dat de sociaal rechercheur aanwezigheid van appellante op laatstgenoemd adres niet heeft kunnen vaststellen op 1, 2, 5, 6, 9, 15 en 19 maart 2007 geen betekenis toe.

4.2. De Raad stelt vervolgens vast dat de dochter bij het huisbezoek in de woning op 15 maart 2007 heeft meegedeeld dat zij op 14 maart 2007 haar moeder naar een vriendin in Kerkrade had gebracht voor de tijd dat zij zelf in verband met een op 16 maart 2007 uit te voeren zware buikoperatie in een ziekenhuis in Rotterdam zou verblijven. Na vertrek uit de woning is de dochter een brief overhandigd met een uitnodiging voor appellante om op 16 maart 2007 op de sociale dienst in Delft te verschijnen. Appellante is die dag niet verschenen. Aan de nadien verstrekte uitnodiging om op 19 maart 2007 op de sociale dienst in Delft te verschijnen heeft appellante evenmin gehoor gegeven. Zij is daarna niet meer opnieuw uitgenodigd voor een gesprek.

4.3. Aan de verklaringen van de buurtbewoners van de adressen kan de Raad niet die betekenis toe kennen die het College daaraan toegekend wenst te zien. Die - op twee na niet ondertekende - verklaringen bevatten wel kwalificaties maar te weinig feitelijke waarnemingen en details om - in het licht van de handicap van appellante en de overige bijzonderheden van het geval - de conclusie van het College dat appellante gedurende de hele in geding zijnde periode niet gewoond zou hebben op de door haar opgegeven adressen objectief te kunnen rechtvaardigen. Een markering in de tijd dat deze buurtbewoners zelf in de omgeving van de woningen van de dochter hebben gewoond ontbreekt. Dat appellante in de hier relevante periode woonde in Iran of naar Iran is teruggegaan, zoals twee buurtbewoners hebben verklaard, acht de Raad volstrekt onaannemelijk.

4.4. De gegevens met betrekking tot de gevraagde verhuiskostenvergoeding, de aan appellante verleende thuiszorg, het huisbezoek op 25 oktober 2006 en de door de gemachtigde van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep aangedragen medische en andere gegevens wijzen wel duidelijk in de richting van het inwonend zijn van appellante in de woningen van haar dochter, dit met uitzondering van de periode dat haar dochter door onvoorziene omstandigheden langere tijd genoodzaakt was in Iran te verblijven. Ter zitting is erkend dat appellante in zoverre wel tekort is geschoten in de nakoming van haar inlichtingenverplichting. Dit heeft tot gevolg dat het recht op bijstand over de maanden april 2006 tot en met augustus 2006 thans niet meer met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het besluit van 1 februari 2008 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven, althans voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de perioden van 18 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 en van 1 september 2006 tot en met 28 februari 2007 en op de terugvordering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 1 februari 2008 vernietigen, behoudens voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de maanden april 2006 tot en met augustus 2006. Hij zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 20 juni 2007 herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de perioden van 18 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 en van 1 september 2006 tot en met 28 februari 2007.

Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering. Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat de aan artikel 58, eerste lid, van de Wet werk en bijstand te ontlenen bevoegdheid tot terugvordering hier beperkt is tot de kosten van bijstand gemaakt ten behoeve van appellante over de maanden april 2006 tot en met augustus 2006.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van kosten. Deze kosten worden in bezwaar, in beroep en in hoger beroep telkens begroot op € 644,--, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 februari 2008, behoudens voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de maanden april 2006 tot en met augustus 2006 is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 20 juni 2007 voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de perioden van 18 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 en van 1 september 2006 tot en met 28 februari 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van kosten in bezwaar en in beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan appellante, alsmede in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

IJ