Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-892 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning bijstand: Uit de stukken kan worden afgeleid dat appellant op 17 januari 2006 een aanvraag om een werkloosheidsuitkering heeft ingediend, maar dat impliceert niet dat hem, na afwijzing van die aanvraag, ook met ingang van 17 januari 2006 een bijstandsuitkering moet worden toegekend. Voor elke specifieke uitkering is immers een afzonderlijke aanvraag vereist. Maatregel: De Raad is tevens van oordeel dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid is kwijt geraakt en aldus de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 234
USZ 2009/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/892 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2007, 06/4528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. S. Boersma, kantoorgenoot van mr. Weski. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 september 2001 in dienst getreden van de gemeente Rotterdam. Hij was laatstelijk op de Afdeling [naam afdeling] als [naam functie] werkzaam. Bij besluit van 20 januari 2006 is appellant disciplinair bestraft met ontslag. Het tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2007 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 11 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Die uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 28 mei 2009 bevestigd.

1.2. Op 17 januari 2006 heeft appellant een werkloosheidsuitkering aangevraagd. Die aanvraag is bij besluit van 13 maart 2006 afgewezen.

1.3. Op 4 april 2006 heeft appellant zich tot het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gewend voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 26 juni 2006 is appellant met ingang van 4 april 2006 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij dat besluit is de bijstand over de periode van 4 april 2006 tot 4 mei 2006 verlaagd met 100% op de grond dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid heeft verloren.

1.4. Het tegen het besluit van 26 juni 2006 gemaakte bezwaar, dat zich richtte tegen de ingangsdatum van de bijstand en de verlaging, is bij besluit van 6 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, evenals in bezwaar en beroep, betoogd dat de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 17 januari 2006 moet worden bepaald en dat hij niet door eigen toedoen zijn werk bij de gemeente Rotterdam is kwijt geraakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de ingangsdatum

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 (tekst tot 1 januari 2009) van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden en/of de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.1.1. De Raad is van oordeel dat van zodanige bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat appellant op 17 januari 2006 een aanvraag om een werkloosheidsuitkering heeft ingediend, maar dat impliceert niet dat hem, na afwijzing van die aanvraag, ook met ingang van 17 januari 2006 een bijstandsuitkering moet worden toegekend. Voor elke specifieke uitkering is immers een afzonderlijke aanvraag vereist.

Voorts kan appellant worden tegengeworpen dat hij zich, nadat zijn aanvraag om een werkloosheidsuitkering bij besluit van 13 maart 2006 was afgewezen, eerst op 4 april 2006 bij het CWI heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen, terwijl hij er in dat besluit op is geattendeerd dat hij om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering contact met het CWI moet opnemen. De stelling van appellant, dat hij na 16 januari 2006 van het kastje naar de muur is gestuurd, kan de Raad dan ook niet volgen.

4.1.2. Blijkens het besluit van 6 oktober 2006 voert het College het beleid dat, indien een belanghebbende zich binnen een week na de afwijzing van zijn aanvraag om een zogeheten voorliggende voorziening meldt om een bijstandsuitkering aan te vragen, de bijstand kan ingaan op de datum waarop de aanvraag voor de voorliggende voorziening is ingediend. Dit beleid dient te worden gekwalificeerd als een buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat de toekenning van de bijstand aan appellant per 4 april 2006 in overeenstemming is met het door het College gevoerde beleid.

4.1.3. Hetgeen onder 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ter zake van de ingangsdatum van de bijstand niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

Met betrekking tot de maatregel

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.1. Met de rechtbank en het College en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid als [naam functie] in dienst van de gemeente Rotterdam is kwijt geraakt en aldus de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn onder 1.1 genoemde uitspraak van 28 mei 2009 (LJN BI7032) met betrekking tot het aan appellant verleende disciplinaire ontslag. Het ontslagbesluit is in rechte gehandhaafd omdat appellant zich naar het oordeel van de Raad schuldig heeft gemaakt aan herhaald, als ernstig te kwalificeren, plichtsverzuim. De Raad ziet geen aanknopingspunten om in dit geding tot een ander oordeel te komen waarmee gegeven is dat appellant door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Dit betekent dat het College gehouden was aan appellant een maatregel op te leggen, aangezien niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.2. Ingevolge artikel 8, vierde lid, onder b, van de door de raad van de gemeente Rotterdam vastgestelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (tekst tot 1 januari 2007, hierna: verordening) is het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid een gedraging van de vijfde categorie. Bij een gedraging in die categorie moet ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de verordening als regel een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand worden opgelegd. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert het College aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de verordening. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de verordening op grond waarvan van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien.

4.2.3. Gelet op hetgeen onder 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen slaagt ook het hoger beroep ter zake van de opgelegde maatregel niet en wordt de aangevallen uitspraak ook in zoverre bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB