Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
07-7187 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Inkomsten uit arbeid. Te laat ingezonden stuk (proces-verbaal van de politie Haaglanden) wordt niet buiten beschouwing gelaten, nu de gemachtigde van het College ter zitting heeft aangegeven van het stuk te hebben kennisgenomen en niet in de verdediging te zijn geschaad. Aanvang werkzaamheden: anders dan het College en de rechtbank ziet de Raad evenwel voldoende grond om 1 april 2004 als startdatum aan te houden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant reeds in zijn eerste verklaring de aanvang van de werkzaamheden heeft gerelateerd aan een politiecontrole in de coffeeshop, waarvan inmiddels op grond van het proces-verbaal van de politie Haaglanden voldoende is komen vast te staan dat deze (op 26 maart 2004 en vervolgens) op 1 april 2004 heeft plaatsgevonden. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7187 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 november 2007, 06/8938 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bozbey. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant werkzaamheden verricht heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 25 juli 2005, 11 augustus 2005, 21 september 2005 en 23 september 2005.

1.2. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 20 oktober 2005 de bijstand van appellant over de periode van 22 februari 2003 tot en met 21 februari 2005, uitgaande van een bedrag aan inkomsten van € 125,-- per week, herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.718,49 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant over die periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, waarvan hij aan het College geen melding heeft gemaakt.

1.3. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bedoeling hiervan is een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Hoewel het door appellant ingezonden proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden van 6 april 2004 te laat is binnengekomen, ziet de Raad hierin geen aanleiding om dit stuk buiten beschouwing te laten, nu de gemachtigde van het College ter zitting heeft aangegeven van het stuk te hebben kennisgenomen en niet in de verdediging te zijn geschaad.

4.2. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant reeds vanaf 22 februari 2003 is begonnen met het verrichten van werkzaamheden voor zijn broer, de eigenaar van coffeeshop [coffeeshop]. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.3. In het kader van een onderzoek door de politie Haaglanden zijn appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote], op 21 februari 2005 in verzekering gesteld. Tijdens het verhoor op 21 februari 2005 heeft appellant onder meer verklaard dat hij ongeveer twee jaar geleden - na een controle in coffeeshop [coffeeshop] - is gestart met de werkzaamheden. Op 22 februari 2005 verklaart appellant dat wat hij eerst dacht onjuist is en dat hij zich pas sinds een jaar bezig houdt met de werkzaamheden voor zijn broer. [Echtgenote] verklaart op 21 februari 2005 dat appellant na een politiecontrole in de coffeeshop werkzaamheden voor haar zwager verricht, waarna zij op 22 februari 2005 verklaart dat zij “zeker vanaf afgelopen zomer de drugs in huis hebben”.

4.4. Het College heeft wat de aanvang van de werkzaamheden betreft doorslaggevende betekenis toegekend aan de eerste door appellant op 21 februari 2005 ten overstaan van ambtenaren van de politie afgelegde verklaring. Anders dan het College en de rechtbank ziet de Raad evenwel voldoende grond om 1 april 2004 als startdatum aan te houden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant reeds in zijn eerste verklaring de aanvang van de werkzaamheden heeft gerelateerd aan een politiecontrole in de coffeeshop, waarvan inmiddels op grond van het proces-verbaal van de politie Haaglanden voldoende is komen vast te staan dat deze (op 26 maart 2004 en vervolgens) op 1 april 2004 heeft plaatsgevonden. Bovendien is de verklaring van 22 februari 2005 (meer) in overeenstemming met de verklaringen van [echtgenote].

4.5. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van 1 april 2004 tot en met 21 februari 2005 te herzien. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in zoverre niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het besluit van 27 september 2006, voor zover daarbij de herziening over de periode van 22 februari 2003 tot 1 april 2004 en de terugvordering van een bedrag van € 16.718,49 is gehandhaafd, niet in stand kan blijven.

4.7. De rechtbank heeft hetgeen in 4.6 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 27 september 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover daarbij de herziening van bijstand over de periode van 22 februari 2003 tot 1 april 2004 en de terugvordering zijn gehandhaafd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 20 oktober 2005 herroepen voor zover de herziening ziet op de periode van 22 februari 2003 tot 1 april 2004 en voorts bepalen dat het College opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de Raad dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is over te gaan tot terugvordering van de over de periode van 1 april 2004 tot en met 21 februari 2005 gemaakte kosten van bijstand en dat de Raad vooralsnog geen grond ziet voor het oordeel dat van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 september 2006, voor zover het betreft de herziening van de bijstand over de periode van 22 februari 2003 tot 1 april 2004 en de terugvordering;

Herroept het besluit van 20 oktober 2005, voor zover het betreft de herziening van de bijstand over de periode van 22 februari 2003 tot 1 april 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant in bezwaar en in beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan appellant en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 8 september 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. Waasdorp.

NW