Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
09-300 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Rechtbank vernietigt besluit wegens onvoldoende motivering. Uitgaand van de juistheid van de bij betrokkene in de FML vastgestelde medische beperkingen, is de Raad niet gebleken dat betrokkene de aan haar geduide functies op de in geding zijnde datum 27 december 2006 niet zou kunnen vervullen. De geschiktheid van deze functies voor betrokkene is met de zich onder de gedingstukken bevindende medische en arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht. De Raad wijst hierbij met name ook op de brief van appellant van 23 juli 2009 met de daarbij gevoegde verzekeringskundige en arbeidskundige rapportages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/300 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2008, 07/2349 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Simsek, advocaat bij AbvaKabo FNV te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar appellant is verschenen bij gemachtigde A.P. Prinsen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Simsek.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was laatstelijk werkzaam als groepsleidster kinderopvang. Met ingang van 1 april 2000 is aan betrokkene uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene nader vastgesteld op 25 tot 35% en de WAO-uitkering om die reden herzien per 27 december 2006. Het daartegen door betrokkene ingediende bezwaar heeft appellant bij besluit van 19 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 september 2006. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. Het bestreden besluit is echter vernietigd omdat de toelichting van appellant wat betreft de geschiktheid van de aan betrokkene geduide functies op de aspecten 5.1 (zitten) en 5.6 (gebogen en/of getordeerd actief zijn) naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is. Het beroep van betrokkene is om die reden gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant heeft de opdracht gekregen om met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven ten aanzien van de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij is van mening dat er op de aspecten 5.1 en 5.6 geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene in de geduide functies. Appellant stelt dat de rechtbank van een onjuiste belasting op het aspect 5.1 (zitten) is uitgegaan. Betrokkene is beperkt geacht tot één uur zitten achtereen. De belasting van zitten in de aan betrokkene geduide functies is evenwel niet meer dan 45 tot 60 minuten aaneen, zodat de door de rechtbank van doorslaggevend gewicht geachte vraag of vertreding nodig is, bij die belasting niet aan de orde is. Voor dit aspect ontbreekt dan ook een signalering bij de geduide functies. Eveneens ten onrechte is in de aangevallen uitspraak nog van belang geacht de vraag of vertreding bij een belasting van twee uur achtereen zitten mogelijk is. Wat het aspect 5.6 (gebogen en/of getordeerd actief zijn) aangaat, heeft appellant erop gewezen dat reeds in de rapportage van 22 juni 2007 door de bezwaarverzekeringsarts is aangegeven dat er wat dit betreft ten aanzien van betrokkene kan worden uitgegaan van de maximale belastbaarheid van 90 graden. In geen van de geduide functies is evenwel sprake van die maximale belasting, zodat er ook met betrekking tot dit aspect 5.6 een nadere toelichting als door de rechtbank verlangd niet nodig is.

4.1. De Raad overweegt in dit verband als volgt.

4.2. Uitgaand van de juistheid van de bij betrokkene in de FML vastgestelde medische beperkingen, is de Raad niet gebleken dat betrokkene de aan haar geduide functies op de in geding zijnde datum 27 december 2006 niet zou kunnen vervullen. De geschiktheid van deze functies voor betrokkene is met de zich onder de gedingstukken bevindende medische en arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht. De Raad wijst hierbij met name ook op de brief van appellant van 23 juli 2009 met de daarbij gevoegde verzekeringskundige en arbeidskundige rapportages van 13 juli 2009, respectievelijk

10 oktober 2008 en 16 juli 2009. De Raad onderschrijft voorts de in hoger beroep aangevoerde overwegingen van appellant zoals hierboven weergegeven onder 3.

4.3. Hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet, in samenhang met artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het tegen het bestreden besluit ingediende beroep alsnog ongegrond verklaren.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM