Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-6050 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van CRvB 24-09-2008 (LJN BF3988). Nu door verzoekster geen feit of omstandigheid in de zin van art. 8:88, lid 1, Awb naar voren is gebracht, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. Verwezen wordt naar CRvB 26-02-2008 (LJN BC5185). Evenmin kan de omstandigheid dat naar de opvatting van verzoekster niet alle in het herzieningsverzoek genoemde medische informatie in de aangevallen uitspraak is genoemd, een grond zijn voor herziening. Tot slot kan hetgeen verzoekster ten aanzien van de bewijslastverdeling heeft opgemerkt geen grond zijn voor herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6050 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 september 2008, 06/5136,

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoekster, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2006, 06/113, vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit van 20 december 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Verder heeft de Raad bij die uitspraak het verzoek om schadevergoeding afgewezen en beslissingen gegeven over vergoeding van proceskosten en betaling van het griffierecht.

2. Verzoekster is van mening dat haar aanspraken bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht niet naar behoren zijn erkend. Verzoekster acht herziening van de uitspraak aangewezen omdat er sprake is van een niet of ongemotiveerd passeren van een aantal beroepsgronden, een foutieve uitleg van de eigen jurisprudentie en een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de bewijslastverdeling. De gronden van het verzoek zijn uiteengezet in het aanvullende verzoekschrift van 17 december 2008 en de daarbij overgelegde stukken van Instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans en verklaringen van behandelaars uit de reguliere medische sector.

3. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verband met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden voor de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4. Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

5. Nu door verzoekster geen feit of omstandigheid in de zin van genoemd artikellid naar voren is gebracht, dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. De stelling van verzoekster dat het door de Raad niet of onvoldoende gemotiveerd passeren van een aantal beroepsgronden in de uitspraak waarvan om herziening wordt verzocht - wat daar verder ook van zij -, als een feit of een omstandigheid in de zin van meergenoemd artikellid moet worden aangemerkt, is, naar de Raad eerder in bij voorbeeld zijn uitspraak van 26 februari 2008 (LJN BC5185) heeft overwogen, onjuist. Evenmin kan de omstandigheid dat naar de opvatting van verzoekster niet alle in het herzieningsverzoek genoemde medische informatie in de aangevallen uitspraak is genoemd, een grond zijn voor herziening. Tot slot kan hetgeen verzoekster onder rubriek 2 ten aanzien van de bewijslastverdeling heeft opgemerkt geen grond zijn voor herziening.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM