Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
09-110 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De medische gegevens die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen voor de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen dienen de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend te worden aangemerkt. In de diverse rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige zijn de bij de functiebelastingen geplaatste signaleringen toereikend gemotiveerd. De Raad heeft in de functieomschrijving van de functie elektronica monteur geen aanknopingspunt gevonden te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat deze functie ongeschoolde arbeid betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/110 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2008, 07/9363 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar appellante is verschenen met bijstand van mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende. Bij besluit van 18 december 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar zijn weigering appellante met ingang van 26 november 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gehandhaafd. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit, zodat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellante ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en in verband daarmee bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven met betrekking tot proceskosten en griffierecht.

3. Appellante heeft evenals in beroep in hoger beroep aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gesteld dat er geen somatisch substraat is voor de pijnklachten aan de benen en dat onduidelijk is op welke wijze de informatie van de behandelend chirurg dr. A.B. de Jongste is ontvangen; er bevindt zich geen schriftelijke informatie bij de stukken. Verder was er bij einde wachttijd sprake van zodanige psychische klachten dat op dit punt meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan is gedaan. Nu haar medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld, betwist zij dat de geduide functies in medische zin voor haar passend zijn. Tot slot heeft zij erop gewezen dat de functie elektronica monteur (sbc-code 267040) niet geduid had mogen worden vanwege het melden van onjuiste opleidingsgegevens.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft in zijn rapportage van 10 december 2007 op basis van het dossier vastgesteld dat het psychische beeld rond datum in geding bepaald werd door een licht depressief beeld dat zich medio 2004 ontwikkelde en dat begin 2005 zodanig was opgeklaard dat appellante geen behoefte meer had aan begeleiding. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft voorts vastgesteld dat bij appellante met name sprake is van adipositas van de bovenbenen en billen, met daarbij wisselend oedeem aan de onderbenen dat gerelateerd is aan de adipositas. Voor de aangegeven, aspecifieke pijnklachten is geen somatisch substraat aan te geven. Gezien de bevindingen bij eigen onderzoek en die van de behandelend chirurg De Jongste, zoals verwoord in diens schrijven van 15 augustus 2007, is er geen sprake van varices. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat met de geduide beperkingen van psychische en fysieke aard de mogelijkheden van appellante niet zijn overschat en dat de eerder opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gehandhaafd kan blijven. Ook de door appellante in beroep overgelegde gegevens van haar behandelend psychiater

R. Soylu heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven de FML te wijzigen. In zijn rapportage van 25 april 2008 heeft deze bezwaarverzekeringsarts daartoe overwogen dat blijkens die gegevens het toestandsbeeld begin 2004 werd bepaald door een aanpassingsstoornis met atypische depressieve kenmerken en dat het najaar van 2004 rond de neustumor aanvankelijk een dramabeeld laat zien dat zich snel herstelde. Nadien zijn er, behoudens op 26 oktober 2004, geen meldingen die passen bij een duidelijke pathologie. Een aspect, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat past bij de eigen vermelding door appellante, dat zij in februari 2005, bij medisch onderzoek, zich verbeterd achtte en kort nadien de behandeling heeft beëindigd. Evenals de rechtbank onderschrijft de Raad de door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportages verwoorde conclusies.

4.3. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht overweegt de Raad nog het volgende. De Raad stelt voorop dat uit hetgeen in 4.2 is overwogen volgt dat de medische gegevens die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen voor de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Verder bevindt de informatie van dr. De Jongste van 15 augustus 2007 zich onder de op de zaak betrekking hebbende stukken, die door het Uwv op 12 februari 2008 naar de rechtbank zijn gezonden. Afschriften van deze stukken zijn door de rechtbank op 21 februari 2008 aan appellantes gemachtigde gezonden. Ten slotte wijst de Raad erop dat appellante haar standpunt in hoger beroep dat zij meer of zwaarder beperkt is te achten, niet heeft doen ondersteunen met medische gegevens.

4.4. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat in de diverse rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige de bij de functiebelastingen geplaatste signaleringen toereikend zijn gemotiveerd.

4.5. De Raad kan ten slotte appellante niet volgen in haar visie dat er sprake is van vermelding van onjuiste opleidingsgegevens bij de functie van elektronica monteur (sbc-code 267040) die de rechtbank tot het oordeel had moeten leiden dat deze functie niet aan de schatting ten grondslag had mogen worden gelegd. De Raad heeft in de functieomschrijving geen aanknopingspunt gevonden te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat deze functie ongeschoolde arbeid betreft. Daargelaten of er sprake is van onjuiste opleidinggegevens bij deze functie is de Raad van oordeel dat gelet op de door appellante genoten opleiding en beroepservaring zowel deze functie als de overige geduide functies geschikt en toegankelijk voor haar zijn.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM