Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-5995 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5995 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 september 2008, 07/1228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.

Namens appellante is verschenen mr. Van der Zouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 17 augustus 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 8 maart 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat en dat genoegzaam is gemotiveerd waarom de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3. In hoger beroep heeft appellante zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, dat de functies voor haar niet haalbaar zijn en dat de gesignaleerde overschrijdingen onvoldoende zijn gemotiveerd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellante heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zij niet al in beroep heeft aangevoerd. De bij brief van 21 juli 2009 opnieuw ingezonden medische stukken bevonden zich reeds in het dossier dat de Raad van de rechtbank heeft ontvangen. De Raad ziet geen reden te veronderstellen dat de rechtbank deze stukken, voor zover zij zien op de datum in geding, niet bij haar beoordeling heeft betrokken.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zijn besluit van 8 maart 2007 heeft mogen baseren op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 januari 2007. In dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts op uitgebreide wijze aangegeven welke gegevens hij heeft gebruikt om tot zijn opvatting te komen, hoe hij deze gegevens heeft gewogen en op grond waarvan hij tot de door hem vastgestelde beperkingen is gekomen.

4.4. Wat betreft de geschiktheid voor appellante van de geselecteerde functies, alsmede de motivering hiervan overweegt de Raad het volgende.

Aan de schatting zijn ten grondslag gelegd de functies van textielproductenmaker, productiemedewerker metaal en productiemedewerker industrie. De Raad is met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat deze functies voor appellante, gelet op de vastgestelde FML van 19 juli 2006 geschikt zijn, en dat zulks afdoende is gemotiveerd in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 februari 2007.

4.5. Weliswaar heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 mei 2008 de FML aangepast in die zin dat appellante blootstelling aan schimmels en huisstofmijt moet vermijden, maar de bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 6 juni 2008 uiteengezet dat de geduide functies geen overschrijding van de belastbaarheid op dat aspect laten zien.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) A.E. van Rooij.

EK