Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08/1589 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Op voorafgaand en tijdens huisbezoek afgelegde verklaringen mag worden afgegaan. Appellante heeft verklaringen ondertekend. Geen eenduidige verklaringen over woon- en leefsituatie. Dat betekent schending inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1589 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2008, 06/5407 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P. Klokkers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 17 mei 2006 bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gemeld om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is onder meer onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe is appellante op 13 juli 2006 gehoord en hebben twee medewerkers van de afdeling Controle en Opsporing een huisbezoek afgelegd op het door appellante opgegeven woonadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juli 2006.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet aan de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan, omdat was gebleken dat de heer [naam[naam B.E.] (hierna: [naam B.E.]) nog steeds op het adres van appellante slaapt en post ontvangt, en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode vanaf de datum van de melding tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 17 mei 2006 tot en met 31 juli 2006.

4.2. Voor een correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van de belanghebbende. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft

over haar feitelijke woon- en leefsituatie.

4.4. Op het aanvraagformulier, gedagtekend 9 juni 2006, heeft appellante ingevuld dat zij alleenwonend is op het adres [adres] te [woonplaats]. Vast staat dat [naam B.E.] in de gemeentelijke basisadministratie vanaf 8 maart 2006 ook op dit adres stond ingeschreven. Voor hetgeen appellante hierover op 18 mei 2006 heeft verklaard in het kader van haar melding bij het CWI en op 13 juli 2006 in het kader van het onderzoek naar haar woon- en leefsituatie verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat mag worden uitgegaan van de juistheid van de verklaringen die appellante op 13 juli 2006 voorafgaand en tijdens het huisbezoek heeft afgelegd. Dat deze verklaringen niet zijn neergelegd in een door een sociaal rechercheur op ambtseed opgemaakt proces-verbaal doet hier, anders dan appellante heeft betoogd, niet aan af. Van belang in dit verband acht de Raad dat appellante de in concept opgenomen verklaringen heeft ondertekend. Nergens blijkt uit dat de inhoud niet overeenkomt met wat zij heeft verklaard. Voorts zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante ten tijde van belang buiten staat was de juiste informatie over haar woonsituatie te verstrekken.

4.5. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat appellante niet eenduidig heeft verklaard over haar woon- en leefsituatie. Hieruit volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand ingevolge de WWB niet is vast te stellen. Het College heeft derhalve terecht op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, van de WWB de aanvraag afgewezen. In het licht van de verschillende, niet eenduidige verklaringen van appellante is er naar het oordeel van de Raad geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit op bezwaar.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

15 september 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ