Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
06-6074 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toename arbeidsongeschiktheid. Deskundige wordt gevolgd: De door het Uwv tegen de bevindingen van de deskundige (...) aangevoerde kritiek, inhoudende dat het rapport van deze deskundige ondeugdelijk is en niet naar behoren medisch gemotiveerd, dat het onderzoek van de deskundige onvolledig en niet-navolgbaar is en geen duidelijke anamnese bevat, en dat de deskundige niet alle hem gestelde vragen heeft beantwoord, heeft de Raad er niet van overtuigd dat aan de bevindingen van deze deskundige geen betekenis kan worden toegekend. Voorts is de Raad van oordeel dat, hoewel de bevindingen van de geraadpleegde psychiaters (...) op punten van elkaar verschillen, er sprake is van een zodanige overeenstemming wat betreft de conclusies van deze psychiaters met betrekking tot de onmogelijkheid voor betrokkene tot het verrichten van arbeid (voortvloeiende uit ziekte of gebrek), dat er voldoende grond is om de conclusies van de psychiaters op dat punt te volgen. Derhalve komt de Raad met de rechtbank tot het oordeel dat betrokkene, anders dan het Uwv steeds heeft gesteld, moet worden geacht niet in staat te zijn geweest tot het verrichten van arbeid. De Raad doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6074 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 oktober 2006, 04/940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en bij schrijven van 24 januari 2007, onder overlegging van een aantal stukken, het door hem in hoger beroep ingenomen standpunt nader onderbouwd.

Namens betrokkene heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft psychiater H.P. den Daas benoemd als deskundige en deze verzocht schriftelijk verslag uit te brengen van een door hem in te stellen onderzoek naar de psychische gezondheidstoestand van betrokkene.

Op 3 februari 2009 heeft Den Daas rapport uitgebracht van het door hem verrichte onderzoek. Bij brief van 3 mei 2009 heeft Den Daas gereageerd op het door appellant ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 19 februari 2009, waarin werd betoogd dat het rapport van Den Daas van 3 februari 2009 geen reden geeft om tot andere standpunten met betrekking tot de belastbaarheid van betrokkene te geraken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Visser, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene, die wegens psychische klachten op 6 juli 1998 is uitgevallen van haar werk, is met ingang van 5 juli 1999 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is per

19 september 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. In verband met de melding van betrokkene dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is toegenomen, is betrokkene op 1 december 2003 door de arts H.J. Dijkstra onderzocht. Deze heeft in zijn rapport van dezelfde datum op basis van het door hem verrichte onderzoek en informatie van de behandelend reumatoloog van betrokkene dr. P.M. Houtman van 3 november 2003 geconcludeerd dat de belastbaarheid van betrokkene sinds de daaraan voorafgaande beoordeling niet is gewijzigd. De door betrokkene geclaimde toegenomen vermoeidheids- en pijnklachten moeten, naar de indruk van deze arts, worden beschouwd als een subjectieve afname van het welbevinden en niet als een toename van de beperkingen van betrokkene. Op grond van deze bevindingen en conclusies heeft appellant bij besluit van 13 februari 2004 aangegeven dat betrokkene ongewijzigd arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO naar een mate van 15 tot 25%.

1.3. Door betrokkene is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 februari 2004. Betrokkene heeft daarbij aangevoerd dat zij ten onrechte ingaande de datum van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, 1 december 2003, als ongewijzigd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt aangemerkt. Zij meent dat haar vermoeidheidsklachten, pijnklachten aan rug en heup en fibromyalgieklachten door appellant bij dat besluit zijn onderschat. Op grond van hetgeen door betrokkene is aangevoerd, heeft de bezwaarverzekeringsarts E.G. Maring op 2 juni 2004 gerapporteerd en de ten aanzien van betrokkene aangenomen beperkingen iets aangescherpt. Hij heeft deze aanscherping van de belastbaarheid neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 juni 2004. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens een aantal functies geselecteerd die in het verlengde liggen van de functies die ten grondslag lagen aan de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 19 september 2002. Gelet op het voor betrokkene geldende maatmanloon enerzijds en de resterende verdiencapaciteit anderzijds is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vervolgens vastgesteld op 12.71%. Appellant heeft op basis van de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige aan betrokkene te kennen gegeven dat hij voornemens is om het besluit van 13 februari 2004 te herzien, nu de in bezwaar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid leidt tot indeling in de klasse van minder dan 15%. Omdat in bezwaar niet ten nadele mag worden teruggekomen van laatstgenoemd besluit wil appellant de WAO-uitkering van betrokkene per toekomende datum intrekken. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 10 augustus 2004 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 februari 2004 ongegrond verklaard en de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 september 2004 ingetrokken omdat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, daartoe als volgt overwogen (waarbij onder eiseres dient te worden verstaan betrokkene en onder verweerder dient te worden verstaan appellant):

“De onderhavige schatting is gebaseerd op de door de bezwaarverzekeringsarts Maring opgestelde FML, waarin de belastbaarheid van eiseres per 14 september 2004 is vastgelegd. Partijen worden verdeeld gehouden door de beantwoording van de vraag of de belastbaarheid van eiseres al dan niet juist is weergegeven in die FML.

De door eiseres ingeschakelde psychiater Oppedijk heeft in zijn rapport van 23 augustus 2004 geconcludeerd dat eiseres de laatste jaren lijdt aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Gelet op de consistentie in het klachtenpatroon gedurende de laatste jaren lijkt het klachtenpatroon chronisch te zijn en Oppedijk verwacht dat eiseres ook op 14 september 2004 aan dezelfde aandoening zal lijden. Mede door de vermoeidheid en de snelle vermoeibaarheid, passend bij de ongedifferentieerde somatoforme stoornis waaraan eiseres lijdt, is eiseres volgens Oppedijk niet in staat om te werken. Ten slotte acht deze psychiater de onderzoeksbevindingen medisch objectiveerbaar nu een andere onderzoeker tot dezelfde conclusie zal komen.

De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Os komt in zijn rapport van 31 januari 2006 eveneens tot de conclusie dat eiseres lijdt aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en voorts acht deze deskundige het waarschijnlijk dat eiseres ook op de datum in geding deze stoornis had. Voor wat betreft de belastbaarheid van eiseres onderschrijft Van Os de bevindingen van Oppedijk.

In een reactie op het rapport van Van Os heeft de bezwaarverzekeringsarts Egbers in zijn rapport van 24 mei 2006 onder meer opgemerkt dat het rapport aanknopingspunten geeft om beperkingen ten aanzien van arbeid toe te voegen in de rubrieken I en II (persoonlijk en sociaal functioneren) van de FML.

De rechtbank is van oordeel dat met voornoemde, grotendeels overeenstemmende, bevindingen van de deskundigen Oppedijk en Van Os, voldoende grond bestaat om aan te nemen dat hier sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de CRvB. Voorts stelt de rechtbank vast dat, zoals namens verweerder is bevestigd, de door Egbers in zijn rapport van 24 mei 2006 aangekondigde aanpassing van de FML nog niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Op grond van bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke medische grondslag. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren.”

3. Appellant heeft in hoger beroep aangegeven, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 24 mei 2006 en 23 oktober 2006, van mening te zijn dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een bijzonder geval, omdat niet is voldaan aan de eis die dan wordt gesteld, te weten dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Met name is er daarbij op gewezen dat psychiater Oppedijk concludeert dat betrokkene in het geheel niet in staat is om te werken, terwijl psychiater Van Os enerzijds wel de bevindingen van Oppedijk onderschrijft, maar anderzijds aangeeft ten aanzien van welke items van de FML verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Blijkens het rapport van 23 oktober 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML aangepast naar aanleiding van het rapport van Van Os, welke aanpassing evenwel, zo blijkt uit een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen van 22 januari 2007, niet leidt tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. Op deze gronden handhaaft appellant het door hem in het bestreden besluit neergelegde standpunt in hoger beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De door de Raad als deskundige benoemde psychiater Den Daas heeft in zijn rapport van 3 februari 2009 de door de Raad aan hem gestelde vragen beantwoord, waaruit onder meer blijkt dat naar zijn opvatting betrokkene op 14 september 2004 leed aan een ernstige depressie met multipele pijnklachten in het kader van later (2005) gediagnosticeerde fibromyalgie en dat hij zich niet kan verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts alsnog op 23 oktober 2006 vastgestelde belastbaarheid van betrokkene omdat betrokkene gezien haar depressieve klachten niet in staat is tot het verrichten van enigerlei vorm van arbeid.

4.2. De door appellant tegen de bevindingen van de deskundige Den Daas aangevoerde kritiek, inhoudende dat het rapport van deze deskundige ondeugdelijk is en niet naar behoren medisch gemotiveerd, dat het onderzoek van de deskundige onvolledig en niet-navolgbaar is en geen duidelijke anamnese bevat, en dat de deskundige niet alle hem gestelde vragen heeft beantwoord, heeft de Raad er niet van overtuigd dat aan de bevindingen van deze deskundige geen betekenis kan worden toegekend. De Raad wijst er in dit verband op dat uit het rapport blijkt dat Den Daas een eigen onderzoek heeft verricht en kennis heeft genomen van de eerdere rapportages van zijn collega’s, en de Raad acht het, gelet op die eerdere rapportages, ook niet onzorgvuldig of onvolledig dat Den Daas in zijn rapport naar die eerdere rapportages verwijst, onder meer voor informatie onder het kopje ‘Beknopte levensgeschiedenis’. De Raad is met appellant van oordeel dat het rapport van Den Daas een summier verslag biedt van diens onderzoek, maar hij ziet daarin, anders dan appellant, op zich onvoldoende grond om aan de bevindingen van Den Daas geen betekenis toe te kennen.

4.3. Voorts is de Raad van oordeel dat, hoewel de bevindingen van de geraadpleegde psychiaters Oppedijk, Van Os en Den Daas op punten van elkaar verschillen, er sprake is van een zodanige overeenstemming wat betreft de conclusies van deze psychiaters met betrekking tot de onmogelijkheid voor betrokkene tot het verrichten van arbeid (voortvloeiende uit ziekte of gebrek), dat er voldoende grond is om de conclusies van de psychiaters op dat punt te volgen. Derhalve komt de Raad met de rechtbank tot het oordeel dat betrokkene, anders dan appellant steeds heeft gesteld, moet worden geacht niet in staat te zijn geweest tot het verrichten van arbeid.

4.4. Gesteld voor de vraag welke gevolgen aan zijn onder 4.3 gegeven oordeel zijn te verbinden, is de Raad, gelet op het feit dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is voortgevloeid uit een melding van betrokkene in oktober 2003 dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, van oordeel dat er, mede met het oog op het belang voor partijen dat er een eind aan hun rechtsstrijd komt, aanleiding is om over te gaan tot finale beslechting van het geschil. Hij wijst er daartoe op dat de door bezwaarverzekeringsarts Maring op 2 juni 2004 opgestelde FML zag op de gezondheidstoestand van betrokkene, zoals de verzekeringsarts die in het onderzoek op 1 december 2003 had dienen vast te stellen. Slechts omdat betrokkene vanwege het maken van bezwaar niet slechter af mocht zijn, is de daaropvolgende beëindiging van de WAO-uitkering per toekomende datum, 14 september 2004, van kracht geworden. Nu de psychiater Oppedijk betrokkene heeft onderzocht in juni en juli van het jaar 2004 en uit diens rapport, alsmede de later uitgebrachte rapporten van Van Os en Den Daas, niet blijkt van relevante wisselingen in de belastbaarheid van betrokkene voor arbeid, ziet de Raad genoegzaam steun in de voorhanden zijnde gegevens voor het oordeel dat de situatie dat betrokkene niet in staat is te achten tot het verrichten van arbeid, moet worden geacht reeds aan de orde te zijn geweest op het moment van onderzoek door de verzekeringsarts op 1 december 2003. Gelet op het feit dat de onderhavige schatting een Amber-beoordeling betreft, ziet de Raad, gelet op het voorgaande, aanleiding te bepalen dat aan betrokkene, na ommekomst van de wachttijd van vier weken, met ingang van 29 december 2003 een WAO-uitkering toekomt naar de klasse van 80 tot 100%.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 39,90 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 683,90.

6. Tot slot stelt de Raad vast dat van appellant, gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een recht wordt geheven van € 422,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Herziet de aan betrokkene toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 29 december 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 683,90, te betalen door appellant aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM