Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
09-1246 WSF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Bericht Terugbetalen is niet gericht op rechtgevolg. Detentie. Nu appellant reeds in bezwaar heeft aangegeven nooit een partnertoeslag te hebben aangevraagd, had de IB-Groep de stukken ten aanzien van de partnertoeslag al eerder in de procedure dienen te betrekken en wellicht nader te onderzoeken. Voorts is het de Raad opgevallen dat het door de IB-Groep ingezonden dossier summier is. Mogelijk bevinden zich in haar administratie tóch een adreswijziging van appellant dan wel een telefoonnotitie daaromtrent. Gelet op het voorgaande is er bij de Raad twijfel ontstaan ten aanzien van de zorgvuldigheid waarmee de IB-Groep het bestreden besluit heeft voorbereid. De Raad is van oordeel dat de IB-Groep niet met voldoende zorgvuldigheid de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van appellant ten aanzien van de door hem bestreden schulden heeft onderzocht. De Raad is dan ook, in tegenstelling tot de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1246 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 januari 2009, 08/1034 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant is verschenen in tegenwoordigheid van zijn gemachtigde, mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij Bericht Terugbetalen van 6 februari 2008 is aan appellant medegedeeld dat zijn recht op studiefinanciering is geëindigd op 31 juli 2006 en dat hij een schuld heeft opgebouwd tijdens zijn studie in de vorm van een rentedragende lening. Voor deze lening is een nieuw rentepercentage vastgesteld. Vanaf 1 januari 2009 moet hij deze lening gaan aflossen met € 181,40 per maand.

1.2. Tegen dit bericht van 6 februari 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt bij brief van 17 maart 2008 waarbij hij heeft aangevoerd dat hij van 21 juni 2005 tot en met 26 februari 2007 (lees: 2008) in detentie heeft gezeten in Vught, hetgeen hij destijds telefonisch en schriftelijk heeft doorgegeven aan de IB-Groep. Na zijn detentie kwam hij er pas achter dat hij tot juni 2006 studiefinanciering heeft ontvangen. Verder begrijpt hij niet waarom hij “oudergeld” heeft ontvangen, dit heeft hij nooit aangevraagd.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 16 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bericht van 6 februari 2008 voor wat betreft de hoofdsom van de rentedragende lening geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de IB-Groep terecht het standpunt heeft ingenomen dat het Bericht Terugbetalen van 6 februari 2008 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb ten aanzien van het ontstaan van de schuld. Het Bericht Terugbetalen is een gevolg van eerdere besluiten en kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb voor wat betreft de hoogte van de schuld. Dat appellant door zijn detentie de eerdere besluiten niet of niet tijdig heeft ontvangen is een omstandigheid die voor rekening van appellant komt, nu de besluiten door de IB-Groep op deugdelijke wijze naar het destijds bij haar bekende adres zijn verzonden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant de IB-Groep tijdig op de hoogte heeft gesteld van zijn detentie, onder meer bij brief van 6 september 2005, zodat besluiten van na die datum naar een onjuist adres zijn verzonden. Pas na afloop van zijn detentie raakte appellant bekend met de vermeende schuld door middel van het Bericht Terugbetalen en heeft derhalve tijdig bezwaar gemaakt.

3.2. Bij verweerschrift heeft de IB-Groep het bij het besluit op bezwaar ingenomen standpunt gehandhaafd, waarbij erop is gewezen dat uit het bezwaarschrift niet blijkt van bezwaar tegen het vastgestelde aflossingsbedrag. Tevens zijn nog stukken uit de administratie van de IB-Groep overgelegd waaruit blijkt van een aanvraag om partnertoeslag en vervolgens een verzoek om beëindiging van de toeslag.

4.1. De Raad overweegt het volgende.Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Bericht Terugbetalen van 6 februari 2008 ten aanzien van de hoogte van de rentedragende lening niet is gericht op rechtsgevolg, aangezien aan dit Bericht meerdere berichten zijn voorafgegaan over het ontstaan en de hoogte van de rentedragende lening.

4.2. Appellant maakt bezwaar tegen de schuld(-en) wegens herziening van studiefinanciering over de periode dat hij in detentie was, te weten de maanden juni 2005 tot en met juli 2006. Daarnaast maakt hij bezwaar tegen terugbetaling van het “oudergeld” dat hem, naar eigen zeggen, ongevraagd is toegekend. De Raad maakt uit het bezwaarschrift van appellant op dat hij met de term “oudergeld” bedoelt de partnertoeslag als bedoeld in artikel 3:4 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Appellant heeft hierbij aangegeven dat, ondanks dat hij de IB-groep destijds telefonisch en schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van zijn detentie, de IB-Groep ten onrechte als correspondentie-adres zijn oude woonadres heeft gebruikt, waardoor vele berichten hem niet hebben bereikt ofwel pas nadat hij uit detentie naar zijn oude woonadres was teruggekeerd. Pas na afloop van zijn detentie kwam hij, door middel van het Bericht Terugbetalen, op de hoogte van de schuld. Hij is dan ook van mening tijdig bezwaar te hebben gemaakt. Ter onderbouwing heeft hij een kopie van zijn brief van 6 september 2005, gericht aan de IB-Groep, overgelegd, waarin hij aangeeft dat hij in detentie zit in Vught en de studiefinanciering wil stopzetten. De IB-Groep heeft hierop aangegeven de betreffende brief niet te hebben ontvangen, noch bekend te zijn met een telefonische adreswijziging van appellant.

4.3. Gelet op het voorgaande dient de Raad te beoordelen of het bezwaarschrift van appellant van 17 maart 2008 als tijdig ingediend moet worden beschouwd ten aanzien van de besluiten tot herziening van de partnertoeslag en/of ten aanzien van herziening van het recht op studiefinanciering over de periode van detentie. Eerst in hoger beroep heeft de IB-Groep stukken uit haar administratie ingediend, betreffende de partnertoeslag, welke zij niet eerder aan de Raad heeft doen toekomen. Appellant heeft ter zitting bij de Raad medegedeeld dat de door de IB-Groep overgelegde brieven ten aanzien van de aanvraag en beëindiging van de partnertoeslag niet van hem afkomstig zijn en dat het handschrift niet overeenkomt met het zijne. Voorts heeft hij medegedeeld dat hij geen kind heeft en niet heeft samengewoond met een partner. Nu appellant reeds in bezwaar heeft aangegeven nooit een partnertoeslag te hebben aangevraagd, had de IB-Groep de stukken ten aanzien van de partnertoeslag al eerder in de procedure dienen te betrekken en wellicht nader te onderzoeken. Voorts is het de Raad opgevallen dat het door de IB-Groep ingezonden dossier summier is. Mogelijk bevinden zich in haar administratie tóch een adreswijziging van appellant dan wel een telefoonnotitie daaromtrent. Gelet op het voorgaande is er bij de Raad twijfel ontstaan ten aanzien van de zorgvuldigheid waarmee de IB-Groep het bestreden besluit heeft voorbereid. De Raad is van oordeel dat de IB-Groep niet met voldoende zorgvuldigheid de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van appellant ten aanzien van de door hem bestreden schulden heeft onderzocht. De Raad is dan ook, in tegenstelling tot de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding. Bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dient de IB-Groep nader onderzoek te verrichten naar de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant, gericht tegen de besluiten tot herziening van de partnertoeslag en tot herziening van de studiefinanciering over de periode van zijn detentie.

4.4. Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak, evenals het bestreden besluit, te worden vernietigd.

4.5. De Raad ziet aanleiding om de IB-Groep te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- aan kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de IB-Groep een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt de IB-Groep in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,-;

Bepaalt dat de IB-Groep het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

18 september 2009.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR