Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-6372 WAO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van. Anticumulatie en intrekking WAO-uitkering. De Raad voegt (...) toe dat ook indien de gedeeltelijke vrijspraak bij het arrest van het appellant ten laste gelegde als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb zou moeten worden beschouwd, de beoordeling van die vrijspraak in de uitspraak van de Raad van 19 mei 2006 (...) er reeds aan in de weg staat om in het kader van de toepassing van artikel 4:6 van de Awb andermaal tot een beoordeling van dat feit over te gaan. Voor zover appellant zijn verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit tevens grondt op zijn door de Raad in de uitspraak van 19 mei 2006 - naar de mening van appellant onjuist - beoordeelde standpunt dat hij het anticumulatiebesluit niet had ontvangen, is de Raad van oordeel dat deze grond valt buiten hetgeen in het onderhavige geding ter beoordeling voorligt. Deze grond zou hooguit tot beoordeling van de Raad kunnen leiden in het kader van een verzoek tot herziening van de uitspraak van 19 mei 2006 op de voet van artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, indien aan alle in artikel 8:88 omschreven voorwaarden is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6372 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 september 2008, 08/3019 en 08/6187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontving sinds 10 januari 1974 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Een door een rapporteur van het Uwv opgesteld rapport werknemersfraude van 3 februari 2003 heeft geleid tot een tweetal besluiten van 17 april 2003. Het ene besluit (hierna: anticumulatiebesluit) houdt in dat in verband met inkomsten uit arbeid de WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 17 november 1997 niet meer werd uitbetaald. Het andere besluit (hierna: intrekkingsbesluit) strekt met toepassing van de artikelen 43 en 44, tweede lid, van de WAO tot intrekking van deze uitkering met ingang van 17 november 2000.

2.2. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het Uwv het door appellant tegen het intrekkingsbesluit gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is onder andere overwogen dat appellant tegen het anticumulatiebesluit geen bezwaar heeft gemaakt zodat het anticumulatiebesluit inmiddels rechtens is komen vast te staan.

2.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 juni 2004, 03/3276, het door appellant tegen het besluit van 29 oktober 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder andere overwogen dat zij uit de gedingstukken afleidt dat appellant alleen tegen het intrekkingsbesluit bezwaar heeft gemaakt.

2.4. De Raad heeft bij uitspraak van 19 mei 2006, 04/4324 WAO (LJN AX7226) de uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2004 bevestigd. In die uitspraak heeft de Raad het volgende overwogen:

“Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het anticumulatiebesluit. Appellant stelt weliswaar dat hij dat besluit niet heeft ontvangen en dat hij het pas in de loop van de procedure onder ogen heeft gekregen, maar de Raad acht deze stelling niet geloofwaardig. Hoe dat ook zij, appellant heeft er blijkens zijn uitlatingen ter zitting welbewust voor gekozen om niet alsnog een bezwaarschrift in te dienen nadat hij naar zijn zeggen voor het eerst had kennisgenomen van dat besluit.

Nu geen bezwaar is gemaakt tegen het anticumulatiebesluit, is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden en moet bijgevolg thans als vaststaande worden aangenomen dat appellant zodanige inkomsten heeft genoten dat zijn uitkering niet tot uitbetaling dient te komen. Appellants stelling dat hij geen inkomsten van betekenis heeft gehad kan aan dit rechtsfeit niet afdoen, evenmin als zijn argument dat hij in de strafzaak is vrijgesproken.”.

3.1. Een brief van appellant van 14 december 2006, welke inhield een verzoek om hervatting van de WAO-uitkering omdat hij sedert februari 2002 geen inkomsten meer had, alsmede rappèlbrieven van 22 en 28 februari 2007 en een klacht van 24 augustus 2007 hebben er uiteindelijk toe geleid dat dit verzoek door het Uwv is behandeld als een verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit.

3.2. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat niet wordt teruggekomen van het intrekkingsbesluit omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het intrekkingsbesluit onjuist zou zijn.

3.3. Ter hoorzitting van 5 februari 2008, gehouden in het kader van het door appellant tegen het besluit van 19 november 2007 gemaakte bezwaar, heeft zijn gemachtigde verklaard dat er, behoudens het ingezonden arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 maart 2005, rolnr. 22-005478-04, geen verdere stukken zijn ter aanmerking als nieuwe feiten of omstandigheden. Vervolgens heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 19 november 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 20 maart 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat de Raad in zijn in overweging 2.4 vermelde uitspraak heeft geoordeeld dat de (gedeeltelijke) vrijspraak van appellant bij evenvermeld arrest niets afdoet aan de juistheid van de intrekking, te meer niet, nu de intrekking volgde op de in rechte vaststaande anticumulatie en daarmee dus de inkomsten vaststaan.

4.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 20 maart 2008 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

4.2. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar de in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de bestuursrechter aan te houden toetsingsmaatstaf - het volgende overwogen:

“Noch uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het arrest van het Hof, dat door verzoeker was overgelegd in de WAO-procedure bij de Centrale Raad, vormt geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan verweerder genoodzaakt is een rechtens onaantastbaar geworden besluit te herzien.

Verzoekers grief dat de Centrale Raad dit arrest niet zou hebben meegewogen in zijn beoordeling of dat het arrest buiten het onderzoek ter zitting zou zijn gehouden, kan niet slagen nu de Centrale Raad in zijn uitspraak expliciet heeft verwezen naar de vrijspraak in de strafzaak.”.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant het in eerdere fasen van de procedure gedane beroep op het in overweging 3.3 vermelde arrest herhaald en voorts aangegeven dat hij tegen het anticumulatiebesluit geen bezwaar heeft gemaakt omdat hij dat besluit niet had ontvangen, hetgeen de Raad in zijn meergenoemde uitspraak ongeloofwaardig heeft geacht. Dit laatste acht appellant onjuist.

6.1. De Raad onderschrijft wat betreft het beroep van appellant op het meergenoemde arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage de in 4.2 aangehaalde overwegingen uit de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan toe dat ook indien de gedeeltelijke vrijspraak bij dit arrest van het appellant ten laste gelegde als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb zou moeten worden beschouwd, de beoordeling van die vrijspraak in de uitspraak van de Raad van 19 mei 2006, met het resultaat als in 2.4 weergegeven, er reeds aan in de weg staat om in het kader van de toepassing van artikel 4:6 van de Awb andermaal tot een beoordeling van dat feit over te gaan.

6.2. Voor zover appellant zijn verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit tevens grondt op zijn door de Raad in de uitspraak van 19 mei 2006 - naar de mening van appellant onjuist - beoordeelde standpunt dat hij het anticumulatiebesluit niet had ontvangen, is de Raad van oordeel dat deze grond valt buiten hetgeen in het onderhavige geding ter beoordeling voorligt. Deze grond zou hooguit tot beoordeling van de Raad kunnen leiden in het kader van een verzoek tot herziening van de uitspraak van 19 mei 2006 op de voet van artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, indien aan alle in artikel 8:88 omschreven voorwaarden is voldaan.

7. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR