Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-5607 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Uit de dossierstukken lijkt te volgen dat de verzekeringsartsen appellant inderdaad niet lichamelijk – maar wel psychisch – hebben onderzocht. Het achterwege laten van een lichamelijk onderzoek leidt gelet op de aard van de klachten van appellant en de al in het dossier voorhanden informatie van de behandelend sector niet tot de conclusie dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Geschikheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5607 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ,s-Gravenhage van 30 juli 2008, 07/6637 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 januari 2007 is de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 1 maart 2007 ingetrokken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 26 juli 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.Er is geen aanleiding het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft met uitgebreide informatie van de behandelend sector terecht geoordeeld dat afdoende informatie aanwezig was en heeft geen informatie bij de huisarts van appellant hoeven opvragen.

Er zijn geen aanknopingspunten dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant ondanks de toegenomen (psychische) belastbaarheid een aantal beperkingen heeft en aangewezen is op matig stresserend werk. Er bestaat geen noodzaak voor een duurbeperking. De verzekeringsarts heeft nadien naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant aangegeven dat de verandering in de medische toestand van appellant zo gering is dat de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) niet hoeft te worden aangepast. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant met name gekenmerkt wordt door obsessieve-compulsieve persoonskenmerken waarbij enige neiging bestaat tot hypochondrie en myofasciale pijnklachten bij spanning. Daarbij rondt appellant taken af en kan hij in een bekende omgeving behoorlijk functioneren in een afgebakende taak. Deze conclusie komt overeen met wat de behandelend sector heeft geconstateerd. De rechtbank constateert dat de medische beperkingen van appellant voldoende zijn weerspiegeld in de FML.De belastbaarheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies past binnen de opgestelde FML. Er is afdoende gemotiveerd waarom de signaleringen geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant. Niet is gebleken dat daarbij de belasting van de functies is gerelativeerd. Appellant was dan ook per 1 maart 2007 in staat de aan hem voorgehouden functies te verrichten. Aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2007 minder dan 15% bedraagt, is de uitkering van appellant terecht ingetrokken.

4. Appellant heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd – gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsartsen hem niet lichamelijk en/of psychisch hebben onderzocht en geen informatie bij zijn huisarts en andere behandelaars hebben opgevraagd. Verder heeft appellant herhaald dat zijn klachten en medische beperkingen zijn onderschat en dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Uit de dossierstukken lijkt te volgen dat de verzekeringsartsen appellant inderdaad niet lichamelijk – maar wel psychisch – hebben onderzocht. Het achterwege laten van een lichamelijk onderzoek leidt gelet op de aard van de klachten van appellant en de al in het dossier voorhanden informatie van de behandelend sector niet tot de conclusie dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest.

6.2. In hetgeen appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Voor de daartoe strekkende stelling van appellant is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake volledig en maakt die tot de zijne.

7. Uitgaande van de op 14 november 2006 opgestelde FML is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

8. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

TM