Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08-4542 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Anders dan door de raadsman van appellante is bepleit kan binnen het bestek van de thans voorliggende procedure de enkele omstandigheid dat de Raad ten tijde van het wijzen van zijn uitspraak van 15 december 2006 niet ervan op de hoogte was dat meergenoemd telefonisch verzoek van 12 december 2003 nadien door het Uwv zou worden opgevat als een - binnen de bezwaartermijn gedaan - verzoek om terug te komen van de beslissing van 8 december 2003, niet ertoe leiden dat aan het in de uitspraak van 15 december 2006 neergelegde oordeel van de Raad zou kunnen worden voorbijgegaan. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4542 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2008, 08/282 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Es. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die van maart 1992 tot juni 1993 en van juli 1995 tot december 1995 al eerder arbeidsongeschikt was geweest, is op 9 augustus 1999 in verband met (toegenomen) gewrichtsklachten, nek- schouder- en rugklachten uitgevallen voor haar in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als afdelingsassistente. De haar per einde wachttijd toegekende gedeeltelijke uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), is wegens toename van de gewrichtsklachten, overspannenheid, rugklachten en de bestaande nek- arm- en schouderklachten vanaf 6 februari 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 8 december 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante op grond van een theoretische schatting met ingang van 11 januari 2004 ingetrokken. Bij besluit van 14 april 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar te laat is gemaakt en geen sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

1.3. Daarbij heeft het Uwv zich tevens op het standpunt gesteld dat een door appellantes maatschappelijk werker op 12 december 2003 met een functionaris van het Uwv gevoerd telefoongesprek niet kan gelden als een tijdig gemaakt bezwaar. In zijn uitspraak van 15 december 2006, 6/2112 WAO, heeft de Raad dat standpunt bevestigd en geoordeeld dat het nadien gemaakte schriftelijke bezwaar buiten de bezwaartermijn is ingediend, terwijl geen sprake is van een situatie waarin geoordeeld kan worden dat de maatschappelijk werker - en daarmee appellante - redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

2.1. Op 16 mei 2007 heeft het Uwv aan appellante kennis gegeven van zijn besluit om, naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van appellante van december 2003, niet terug te komen van de beslissing van 8 december 2003, daar uit het door de verzekeringsarts C.A. Zelenberg op 24 februari 2004 ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.

2.2. Bij besluit van 6 december 2007, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat in het kader van de herbeoordeling in bezwaar de bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat het primaire medische oordeel voor onjuist te houden.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd - in essentie neerkomende op een herhaling van de in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte grieven - overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij in navolging van de rechtbank niet toekomt aan een bespreking van de grief dat het door de maatschappelijk werker namens appellante op 12 december 2003 gedane telefonische verzoek had moeten worden aangemerkt als een tegen de beslissing van 8 december 2003 gericht bezwaarschrift, in plaats van als een verzoek om van dat besluit terug te komen, nu de Raad in zijn uitspraak van 15 december 2006 reeds onherroepelijk daaromtrent heeft beslist, aldus dat bedoeld telefonisch verzoek terecht niet is aangemerkt als een rechtsgeldig bezwaar.

4.2. Anders dan door de raadsman van appellante is bepleit kan binnen het bestek van de thans voorliggende procedure de enkele omstandigheid dat de Raad ten tijde van het wijzen van zijn uitspraak van 15 december 2006 niet ervan op de hoogte was dat meergenoemd telefonisch verzoek van 12 december 2003 nadien door het Uwv zou worden opgevat als een - binnen de bezwaartermijn gedaan - verzoek om terug te komen van de beslissing van 8 december 2003, niet ertoe leiden dat aan het in de uitspraak van 15 december 2006 neergelegde oordeel van de Raad zou kunnen worden voorbijgegaan.

4.3. Eveneens volgt de Raad het oordeel van de rechtbank dat niet is kunnen blijken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die de weg zouden kunnen openen naar aantasting van de beslissing van 8 december 2003. Hetgeen appellante, ook weer in hoger beroep, doet aanvoeren komt in wezen erop neer dat zij zich niet kan vinden in de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de beslissing van 8 december 2003 tot intrekking van haar uitkering. Dat zijn bij uitstek grieven die thuishoren in een reguliere bezwaarprocedure - en een eventueel daarop te volgen beroepsprocedure - tegen de beslissing van 8 december 2003 en die appellante mitsdien naar voren had kunnen brengen - en beoordeeld had kunnen krijgen - indien zij tijdig bezwaar tegen die beslissing zou hebben gemaakt.

4.4. De enkele omstandigheid dat naar aanleiding van het verzoek van 12 december 2003 nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden betekent op zich genomen, anders dan namens appellante is betoogd, geenszins dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voorts geldt dat het betreffende rapport van 24 februari 2004 ook naar zijn inhoud bezien geen enkele aanleiding geeft tot de conclusie dat sprake zou zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.

4.5. De Raad concludeert aldus in navolging van de rechtbank dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

5. Er zijn geen aanknopingspunten voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM