Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-3039 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. (Wet WIA). Voldoende medische grondslag. De medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3039 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2008, 07/2900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 24 juli 2008 heeft mr. de Jonge het standpunt van appellante nader toegelicht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 1 september 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 3 september 2008 gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009.

Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, die werkzaam was als vertegenwoordigster leren jassen van 1 oktober 2002 tot 31 maart 2003 en aansluitend gedurende ongeveer 10 maanden een uitkering ingevolge de Ziektewet ontving, heeft zich op 22 mei 2005 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet in verband met onder andere rechterknie- en polsklachten.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 15 december 2006 onderzocht door de arts P.C.R. Menco. Deze beschikte blijkens het rapport van dit onderzoek van 21 december 2006 over informatie van de huisarts van 30 mei 2005, waarin sprake was van gewrichtsklachten, met name betreffende de rechter heup, de rechter knie en de polsen, en buikklachten. Tevens vermeldde Menco informatie van de orthopedisch chirurg K.M. Veenstra van 2 december 2005, die aangaf dat er een ruime heupfunctie zonder zichtbare afwijkingen was, dat de knie slank, stabiel en zonder spieratrofie was en dat hij ook nu geen duidelijke oorzaak kon vinden. Over een voorstel zijnerzijds voor een second opinion had hij nog geen bericht ontvangen. Menco noteerde de claimklachten van appellante, stelde vast dat zij daarvoor niet onder behandeling was, beschreef het psychisch en lichamelijk onderzoek en legde de op basis daarvan vastgestelde psychische en lichamelijke beperkingen vast in een (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding berekend dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 25 januari 2007 vast dat appellante met ingang van 20 februari 2007 geen recht had op een Wet WIA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts Weegink in een rapport van 3 juli 2007 vermeld dat zorgvuldigheidshalve opgevraagde informatie bij appellantes huisarts, ondanks een rappèl en nadien telefonisch overleg met diens secretaresse, niet is ontvangen. De bezwaargronden, zoals die mede zijn geformuleerd door mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia en ter hoorzitting ook naar voren kwamen, hielden onder andere in dat niet aangegeven of onderzocht is of het scala van klachten van appellante samenhing met het whiplashletsel ten gevolge van een auto-ongeluk in 2000, dat appellante psychologisch onder haar klachten leed en dat zij last had van een huid- en leveraandoening, waarvoor in Turkije verstrekte medicatie goed had geholpen. Ingaande op deze gronden stelde Weegink, mede gelet op het onderzoek van Menco vast, dat niet blijkt dat Menco een onjuist beeld had van de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding en dat in de FML de beperkingen onjuist zijn vastgelegd. Bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt gaf in een rapport van 5 juli 2007 een toelichting op de signaleringen bij de geduide functies, concludeerde dat de niet bij de schatting betrokken functie coupeuse diende te vervallen en stelde eveneens vast dat er geen loonverlies was. Vervolgens verklaarde het Uwv het door appellante tegen het besluit van 25 januari 2007 gemaakte bezwaar op 18 juli 2007 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en overwoog uitvoerig waarom de in beroep, deels ook door mevrouw Verhage, voorgedragen gronden niet konden slagen.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voordragen gronden en bezwaren in essentie herhaald.

6.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Voorts kan de Raad in grote lijnen onderschrijven hetgeen de rechtbank meer in het algemeen en op detailniveau over de bezwaargronden heeft overwogen. Hij voegt daaraan toe dat in een zich in het dossier bevindend afschrift medische kaart vanaf 10 mei 2001 sprake is van klachten van het auto-ongeval in april 2000, maar dat appellante daarover in oktober 2001 niet meer klaagde. Ook de in overweging 2 vermelde informatie van de behandelende sector en de anamnese van Menco bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante op de datum in geding nog gevolgen ondervond van het auto-ongeval. Aan appellante kan voorts worden toegegeven dat de precieze reikwijdte van het lichamelijk onderzoek per onderzocht lichaamsdeel door Menco weliswaar niet uitvoerig is beschreven, maar niet kan er aan worden voorbijgezien dat uit de weergave van de resultaten van dit onderzoek duidelijk en onomwonden naar voren komt dat geen sprake is van bewegingsbeperkingen ten aanzien van de rechter knie, rechter heup, linker pols, nek, schouders en rug. Bewegingsbeperkingen vallen ook niet af te leiden uit de meergenoemde beschikbare medische informatie. Verder valt het namens appellante verdedigde standpunt dat zij beperkt is ten aanzien van zitten, concentratie en de nek niet te rijmen met haar mededeling aan Menco dat zij zich bij haar hobbies fotograferen, schilderen en lezen voldoende kan concentreren en dat zij, zoals in een reïntegratie-rapport van de arbeidsdeskundige W.N. Tjoe-A-On van 18 april 2006 naar voren komt, zich bij eventuele vestiging als zelfstandig rijschoolhouder ervan bewust is dat zij in verband met de continuïteit van het lesgeven zeker twee uur aaneengesloten zal moeten zitten. Overigens kan er voor een juiste beoordeling van de in aanmerking te nemen beperkingen op de datum in geding niet aan worden voorbijgezien dat appellante toen niet in behandeling was voor enige klacht en dat ook geen specifieke medische informatie is ingebracht op grond waarvan aan de hand van geobjectiveerde medische gegevens en onderzoek zou moeten worden aangenomen dat appellante op de datum in geding op enig onderdeel van de FML meer dan wel verdergaand beperkt was dan Menco en Weegink hebben aangenomen. Weliswaar is het niet aan de behandelende sector om uit bevindingen bij hun onderzoek verzekeringsgeneeskundige conclusies te trekken, maar dit neemt niet weg dat behandelaars bij hun onderzoek wel kunnen waarnemen en/of vaststellen dat bepaalde lichamelijke functies beperkt zijn, hetgeen dan bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de beoordeling kan worden betrokken. De Raad merkt ten slotte nog op dat hij, anders dan de rechtbank aannam, een afwijking van de FML ten opzichte van de kFML niet heeft kunnen vaststellen.

6.2. De Raad heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, mede gezien de reeds verstrekte toelichting in het arbeidskundig rapport van 24 januari 2007, niet al met het in overweging 3 vermelde rapport van Van Mastrigt voldoende was toegelicht.

7. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR