Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-2359 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beveiligingsbeambte voor 44 uur per week. Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende gemotiveerd waarom op de in geding zijnde datum geen urenbeperking meer is aangenomen. Appellant is niet geschikt te achten voor zijn eigen werk in volle omvang. Omvang maatman is ten onrechte gemaximeerd op 38 uur per week. Herberekening geeft een ander arbeidsongeschiktheidsklasse. Geen overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige over de geschiktheid van de geduide functies. Geen toelichting op de signaleringen in de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2359 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 maart 2008, 06/6697 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft bij brief van 17 april 2008, voorzien van een aantal bijlagen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 30 juni 2008 heeft M.J.A. Mulder namens appellant de gronden van het hoger beroep ingediend.

De Raad heeft op 29 april 2008 de werkgever van appellant in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hierop is geen reactie ontvangen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van 7 augustus 2008 van bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg in reactie op het hoger beroepschrift en de daarbij gevoegde bijlagen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2009. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Mulder, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als beveiligingsbeambte voor 44 uur per week. In februari 2001 is appellant voor die werkzaamheden uitgevallen wegens (naar later is vastgesteld) hypothyreoïdie, de ziekte van Hashimoto en essentiële hypertensie.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In verband met inkomsten uit arbeid werd de uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO naar een wisselend percentage uitbetaald.

1.3. Bij besluit van 7 april 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken op de grond dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

1.4. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts Momberg. Deze arts heeft dossierstudie verricht, waarbij zij kennis heeft genomen van de in het dossier aanwezige informatie. In het rapport van 20 juli 2006 heeft Momberg geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 maart 2006. In het rapport van 20 juli 2006 heeft bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde geconcludeerd dat er geen reden is om te twijfelen aan de arbeidskundige grondslag van het besluit van 7 april 2006. Bij besluit van 1 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 april 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat appellant per 8 juni 2006 in staat is te achten de eigen arbeid in volle omvang dan wel de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies gedurende een volledige werkweek te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dientengevolge terecht de WAO-uitkering van appellant ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het hoger beroep komt er aldus op neer dat appellant zich medisch meer beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen. Appellant acht zich met name niet in staat om fulltime te werken. Daarnaast is volgens appellant het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest omdat het onderzoek bij de verzekeringsarts erg kort was en de bezwaarverzekeringsarts niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Uit de weergave van het dagverhaal in het rapport van verzekeringsarts W.F. Groen van 10 maart 2006 komt naar voren dat appellant voordat hij bij zijn werkgever zijn eigen werk in avonddienst doet van 17.00 uur tot ongeveer 22.30 uur, ongeveer 2 uur rust. De verzekeringsarts heeft hierover bij appellant verder geen navraag gedaan. Wel concludeert Groen dat onder andere op basis van het dagverhaal gesteld kan worden dat er nog beperkingen zijn in het energetische vlak wat betreft te zware fysieke belasting. Er is volgens Groen echter onvoldoende grond om een urenbeperking aan te nemen. Bezwaarverzekeringsarts Momberg heeft het dagverhaal niet kunnen verifiëren omdat zij niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest. De Raad acht een en ander van belang nu de bij de laatste herbeoordeling in 2004 gehandhaafde urenbeperking van 20 uur per week bij de onderhavige beoordeling is komen te vervallen, terwijl uit de brief van 4 mei 2006 van de behandelend internist H.W. Ananta niet naar voren komt dat de gezondheidssituatie van appellant sinds 2004 is verbeterd. Tevens blijkt uit de evaluatie van de bedrijfsarts J. Hak van 11 januari 2006 dat deze zich kan verenigen met een uitbreiding van het aantal te werken uren van 24 naar 26 per week. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts geen informatie opgevraagd bij internist Ananta, terwijl door appellant herhaaldelijk is aangevoerd dat er sprake is van een wisselend ziektebeeld. Dit standpunt lijkt te worden ondersteund door de brief van 26 november 2007 van Ananta, waaruit naar voren komt dat er - in tegenstelling tot eerdere berichten - sprake is van een niet goed gesubstitueerde hypothyreoïdie. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Raad onvoldoende gemotiveerd waarom op de in geding zijnde datum geen urenbeperking meer is aangenomen.

4.3.1. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

4.3.2. Het bestreden besluit berust onder meer op de overweging dat appellant per de datum in geding weer in staat is zijn eigen werk te verrichten. Het is echter vaste jurisprudentie van de Raad dat geschiktheid voor de maatmanarbeid eerst dan de vooronderstelling rechtvaardigt dat geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid indien de betrokken maatmanarbeid in volle omvang - zowel wat belasting als wat duur betreft - kan worden verricht. Voor zijn uitval werkte appellant gemiddeld 44 uur per week en tevens in nachtdiensten. Blijkens de FML van 10 maart 2006 mag appellant ongeveer 40 uur per week werken en niet ’s nachts. Gelet hierop is appellant niet geschikt te achten voor zijn eigen werk in volle omvang. Dit blijkt ook uit het rapport van 6 april 2006 van arbeidsdeskundige H.J.L. Fontein, waarin is geconcludeerd dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk, met uitzondering van de nachtdiensten.

4.3.3. Voorts is, gelet op de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN AZ9652, de urenomvang van de maatman ten onrechte gemaximeerd op 38 uur per week. Appellant werkte immers voor de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid 44 uur per week. Herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de thans geduide functies en aan de hand van een ongemaximeerde maatmanomvang van 44 uur per week leidt naar het oordeel van de Raad tot een verlies aan verdiencapaciteit van meer dan 15%, en dientengevolge tot indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse. Ter zitting is namens het Uwv desgevraagd ook erkend dat het laten vervallen van de maximering van de maatmanomvang waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Ten slotte merkt de Raad nog op dat - in tegenstelling tot hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld - uit het arbeidskundig rapport van 6 april 2006 niet blijkt dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige over de geschiktheid van de geduide functies. Tevens ontbreekt een toelichting op de signaleringen in de geduide functies.

4.4. Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.3.3 zijn de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig vastgesteld en ontbeert het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige motivering. Gelet hierop dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Niet is gebleken van aan de zijde van appellant gevallen proceskosten die voor vergoeding vanwege het Uwv in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt het Uwv op om, met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal

€ 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR