Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-2173 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen aanknopingspunten in objectief medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante ten tijde van de datum in geding, 11 december 2006, meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante, gelet op de voor haar vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat moet worden geacht tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2173 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 februari 2008, 07/2168

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. Venmans-den Braber, werkzaam bij Kliƫnten Platform Minima te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Namens appellante is bij brief van 28 juni 2009 een aantal stukken ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 juli 2009, waar partijen - het Uwv met bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerker. In november 1999 is zij uitgevallen wegens mictieproblemen, bloedarmoede, chronische klachten van de wervelkolom en ribben, en psychische klachten. In aansluiting op de geldende wettelijke wachttijd heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij de eerstejaars herbeoordeling in 2002 bleef de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd.

1.2. Als onderdeel van de wettelijke eenmalige herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van het aangepaste Schattingsbesluit heeft de verzekeringsarts L. de Vries appellante op 14 augustus 2006 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek, gedateerd 17 augustus 2006, zijn de klachten van appellante beschreven, alsmede het resultaat van het lichamelijk onderzoek. De Vries heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 augustus 2006. Daarin zijn beperkingen genoteerd ten aanzien van persoonlijk functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.J.M. van den Eeden in een rapport van 10 oktober 2006 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 1,2%, waarna het Uwv bij besluit van 17 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 december 2006 heeft ingetrokken.

2. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling, na ontvangst van informatie van de huisarts van appellante, gerapporteerd. In haar rapport van 13 maart 2007 is Greveling tot de conclusie gekomen dat de bezwaren geen aanleiding vormen tot herziening van de medische grondslag van het besluit van 17 oktober 2006. De bezwaararbeidsdeskundige C. Limbeek heeft in zijn rapport van 20 maart 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw berekend en vastgesteld op 1,2% en voorts de medische geschiktheid van de geduide functies toegelicht. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 oktober 2006 bij zijn besluit van 28 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 28 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. In hoger beroep zijn namens appellante in essentie dezelfde gronden en argumenten als in bezwaar en in beroep naar voren gebracht. Appellante meent dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar klachten als gevolg van haar bloedziekte (Thalassemie), klachten van de wervelkolom, de vervroegde overgang, mictieproblemen, het herseninfarct en de psychische klachten. Verder is aangegeven dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Verzocht is een onafhankelijke deskundige te benoemen om de belastbaarheid van appellante nader vast te stellen.

5.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. In een uitvoerig en helder gemotiveerde uitspraak heeft de rechtbank uiteengezet waarom de beschikbare gegevens haar geen reden hebben gegeven tot twijfel aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad merkt nog op dat appellante tijdens het spreekuur aan de verzekeringsarts geen psychische klachten kenbaar heeft gemaakt. Voorts is ook de Raad niet gebleken van aanknopingspunten in objectief medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante ten tijde van de datum in geding, 11 december 2006, meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Die komen ook niet naar voren uit de in hoger beroep in geding gebrachte stukken. Daaruit valt slechts op te maken dat appellante wegens een begin augustus 2007, dus na de datum in geding, doorgemaakte verslechtering van haar bloedziekte door het Uwv - met toepassing van de zogeheten Amber-bepalingen van de WAO - met ingang van 29 augustus 2007 volledig arbeidsongeschikt is geacht. Daarna is per 10 juni 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herzien, aanvankelijk naar een mate van 25 tot 35% en na een bezwaarprocedure naar 35 tot 45%. De Raad ziet ook daarin geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, zoals namens appellante verzocht.

5.2. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante, gelet op de voor haar vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat moet worden geacht tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van administratief medewerker (sbc-code 315090), samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). In dat verband overweegt de Raad dat door de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam is toegelicht waarom deze functies als voor appellante medisch geschikt kunnen worden beschouwd.

5.3. Uit 5.1 en 5.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM