Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-1026 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is van oordeel dat de functies, zomede de loonwaarde daarvan, wel konden worden gebruikt voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1026 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 januari 2008, 07/760 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Apistola, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 27 augustus 2008 heeft mr. Apistola de Raad meegedeeld zich te onttrekken als gemachtigde van appellant en dat als opvolgend gemachtigde zal optreden zijn kantoorgenoot mr. C.H. Remmelink.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. Remmelink. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in februari 2002 wegens klachten van depressieve aard, duizelingen en rugklachten uitgevallen als assemblagemedewerker. Ingaande 14 februari 2003 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 8 juni 2006 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 augustus 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2. Bij besluit van 27 december 2006, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2006 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat bij het onderzoek door de verzekeringsarts informatie van de huisarts van appellant alsmede van de behandelend psycholoog, werkzaam bij Parnassia, voorhanden was. Voorts heeft de rechtbank laten wegen dat de bezwaarverzekeringsarts nog informatie heeft ingewonnen bij de huisarts en informatie heeft verkregen van de behandelend psycholoog A.N.F. Altememy van 20 oktober 2006 en van klinisch psycholoog R.E. van Outsem van 25 oktober 2006.

3.2. Evenmin waren er volgens de rechtbank aanknopingspunten om het ervoor te houden dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. Er is rekening gehouden met een beperkte psychische belastbaarheid, terwijl wat betreft de rug van appellant geldt dat bij onderzoek van de rugfunctie door de verzekeringsarts geen aanwijzingen werden gevonden voor consistente functiebeperkingen. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de opvatting van de verzekeringsartsen dat niet is gebleken van een indicatie voor een medische urenbeperking. De rechtbank heeft appellant niet kunnen volgen in de stelling dat sprake is van strijd met het - in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten gecodificeerde - medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC), in welk verband de rechtbank heeft overwogen dat - de Raad begrijpt: ook bij het licht van het MAOC - louter het subjectieve klachtenpatroon van appellant een ontoereikende basis is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

3.3. De rechtbank heeft zich ook kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Voor zover bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies sprake is van signaleringen, dan is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant.

3.4. Ten slotte heeft de rechtbank, hoewel de wijze van berekening daarvan, zoals ook was aangegeven van de zijde van het Uwv, niet volledig juist is te achten, zich ook kunnen verenigen met de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15%.

4.1. Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd vormt in overwegende mate een herhaling van de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte grieven. De Raad ziet hierin geen aanknopingspunten gelegen om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad kan zich met dat oordeel, zomede met de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, ten volle verenigen. De Raad heeft daarbij laten wegen dat van de zijde van appellant ook in hoger beroep geen medische stukken zijn ingebracht die steun verlenen aan zijn - herhaalde - opvatting dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest - aldus kennelijk dat relevante medische informatie door hen zou zijn gemist - dan wel aan de opvatting van appellant dat zijn beperkingen onvoldoende zijn onderkend en/of onjuist zijn gewaardeerd.

4.2. De Raad voegt daaraan ten slotte, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, nog toe dat hij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de - ter zitting door de gemachtigde van appellant bij pleitnota eveneens herhaalde - grief inzake het ten onrechte niet beoordeeld zijn van het eigen werk van appellant. De strekking van die grief is blijkens desgevraagde nadere uitleg door de gemachtigde van appellant geen andere dan dat appellant meent ten onrechte in staat te zijn geacht tot het verrichten van de bij de schatting in aanmerking genomen functies, in verband waarmee de loonwaarde van die functies zijns inziens niet kon worden gebruikt om - in vergelijking met de loonwaarde van het maatgevende eigen werk - tot een beoordeling te komen van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat bedoelde functies, zomede de loonwaarde daarvan, wel konden worden gebruikt voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

4.3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM