Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-2764 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juiste gronden betalingsverplichting appellant. Uit de berekening is de Raad niet kunnen blijken dat het Uwv de beslagvrije voet heeft verhoogd met het bedrag dat appellant aan alimentatie betaalde, met de huur en met de premies voor een ziektekostenverzekering. De Raad is van oordeel dat appellant niet te kort is gedaan, nu de verlaging van het aflossingsbedrag € 5,- groter is dan het bedrag waarmee het Uwv de beslagvrije voet had moeten verhogen. Geen sprake van een bijzondere (financiële) hardheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2764 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 april 2008, 07/3257

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 18 juni 2009 het formulier berekenen aflossingscapaciteit aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de over de periode van 17 oktober 2005 tot en met 31 juli 2007 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ten bedrage van

€ 20.799,23 (bruto) van hem wordt teruggevorderd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit laatste besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 1 september 2007 heeft appellant het Uwv verzocht om ter voldoening van het van hem terugvorderde bedrag een betalingsregeling te treffen van € 50,- per maand. Appellant heeft op verzoek van het Uwv een op 11 september 2007 gedateerd formulier inkomens- en vermogensonderzoek ingevuld. Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het Uwv besloten de afbetalingsregeling te stellen op € 1.200,-.

1.3. Bij besluit van 14 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 17 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat het maandelijks terug te betalen bedrag is vastgesteld op € 575,-.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij als startende ondernemer niet over financiële middelen beschikt om het vastgestelde aflossingsbedrag maandelijks te kunnen voldoen. Voorts verzoekt appellant het Uwv uit coulance het maandbedrag te verlagen naar € 250,-.

4.1. De Raad overweegt met betrekking tot de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel als volgt.

4.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 28 augustus 2007 in rechte onaantastbaar is geworden, zodat de terugvordering als zodanig niet meer ter discussie staat. Slechts in geding is de vraag of het Uwv op juiste gronden de betalingsverplichting van appellant op € 575,- per maand heeft gesteld.

4.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar de door het Uwv op 12 oktober 2007 gemaakte berekening welke ten grondslag lag aan het besluit van 17 oktober 2007. Uitgaande van het maandinkomen van appellant, vermeerderd met dat van zijn partner, heeft het Uwv rekening gehouden met de voor appellant geldende beslagvrije voet, in casu 90% van de voor appellant geldende bijstandsnorm. De strekking van deze beslagvrije voet is dat appellant blijft beschikken over een tot levensonderhoud strekkend minimum inkomen. Uit deze berekening is de Raad echter niet kunnen blijken dat het Uwv deze beslagvrije voet heeft verhoogd met het bedrag dat appellant aan alimentatie betaalde, met de huur en met de premies voor een ziektekostenverzekering. Nu het Uwv bij het bestreden besluit het aflossingsbedrag - zonder een daaraan ten grondslag liggende berekening - alsnog heeft verlaagd en heeft vastgesteld op € 575,- is de Raad van oordeel dat appellant hiermee niet te kort is gedaan, nu de verlaging van het aflossingsbedrag € 5,- groter is dan het bedrag waarmee het Uwv de beslagvrije voet had moeten verhogen.

4.4. Voor zover appellant heeft gesteld dat er sprake is van een kennelijke hardheid als bedoeld in artikel 14 van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen is de Raad van oordeel dat het Uwv bij afweging van de betrokken belangen in het kader van de aan hem toekomende discretionaire bevoegdheid in redelijkheid heeft kunnen komen tot het standpunt dat er geen sprake is van een bijzondere (financiële) hardheid.

4.5. Gezien de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep van appellant niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR