Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
08-6387 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft beoordeeld of het College terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant in staat is arbeid te verrichten gedurende 20 uur per week en hem de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichtingen heeft opgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank hiermee niet de juiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd. Immers, zoals de Raad al meermalen heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2008, LJN BG7978), vloeit uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voort dat de daarin opgenomen verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Uitzondering daarop kan slechts worden gemaakt door met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB een tijdelijke ontheffing van die verplichtingen te verlenen wanneer in een individueel geval dringende redenen daartoe aanleiding geven. Voornoemd uitgangspunt, gevoegd bij de inhoud van het besluit van 1 november 2007, waarbij de gedeeltelijke ontheffing, neergelegd in het besluit van 10 februari 2006, is gehandhaafd, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat in dit geschil uitsluitend aan de orde kan zijn of het College terecht heeft aangenomen dat er geen dringende redenen zijn om appellant tijdelijk volledig te ontheffen van de hier aan de orde zijnde verplichtingen. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zal de Raad de zaak zelf afdoen. De Raad ziet niet in dat, zoals appellant heeft gesteld, het tweede medisch onderzoek door een andere verzekeringsarts had moeten worden uitgevoerd. Anders dan appellant heeft betoogd valt ook uit de door hem in beroep overgelegde stukken niet af te leiden dat hij volledig arbeidsongeschikt te achten is of dat elk realistisch perspectief op arbeidsinschakeling ontbreekt. Het is voor de Raad geenszins komen vast te staan dat appellant niet tot het deelnemen aan een dergelijk traject in staat is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6387 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 oktober 2008, 07/3041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2009. Appellant en zijn raadsman zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Out, werkzaam bij de gemeente Heiloo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 1 januari 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In verband met een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant heeft verzekeringsarts H. Engelen (hierna: verzekeringsarts), werkzaam bij Medisch Adviesbureau Amanu te Bergen, op 1 februari 2006 een medisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 10 februari 2006 appellant te ontheffen van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

1.3. Bij uitspraak van 22 maart 2007, 06/1970, heeft de rechtbank het besluit van 20 juni 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond is verklaard, vernietigd wegens onzorgvuldig verricht medisch onderzoek. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het College de verzekeringsarts een nieuw medisch onderzoek laten verrichten. Dit onderzoek, waarvan op 12 mei 2007 rapport is opgemaakt, aangevuld bij rapport van 16 juli 2007, heeft geleid tot het besluit van 1 november 2007. Daarbij is het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2006 (wederom) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling herhaald dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft beoordeeld of het College terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant in staat is arbeid te verrichten gedurende 20 uur per week en hem de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichtingen heeft opgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank hiermee niet de juiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd. Immers, zoals de Raad al meermalen heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2008, LJN BG7978), vloeit uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voort dat de daarin opgenomen verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Uitzondering daarop kan slechts worden gemaakt door met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB een tijdelijke ontheffing van die verplichtingen te verlenen wanneer in een individueel geval dringende redenen daartoe aanleiding geven. Voornoemd uitgangspunt, gevoegd bij de inhoud van het besluit van 1 november 2007, waarbij de gedeeltelijke ontheffing, neergelegd in het besluit van 10 februari 2006, is gehandhaafd, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat in dit geschil uitsluitend aan de orde kan zijn of het College terecht heeft aangenomen dat er geen dringende redenen zijn om appellant tijdelijk volledig te ontheffen van de hier aan de orde zijnde verplichtingen.

4.2. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zal de Raad de zaak zelf afdoen.

4.3. De Raad is van oordeel dat het College zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het onder 1.3 genoemde rapport van 12 mei 2007. Daarin is met inachtneming van de beschikbare medische gegevens van appellant geconcludeerd dat appellant weliswaar psychische en lichamelijke beperkingen voor arbeid heeft, maar dat hij niet volledig arbeidsongeschikt is. Door de verzekeringsarts is tevens onderkend dat, gelet op de beperkte belastbaarheid van appellant, intensieve begeleiding noodzakelijk is bij het door het College op te starten (arbeids)traject. Volgens de Raad kan niet worden gezegd dat dit rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is. De Raad ziet niet in dat, zoals appellant heeft gesteld, het tweede medisch onderzoek door een andere verzekeringsarts had moeten worden uitgevoerd.

4.4. Anders dan appellant heeft betoogd valt ook uit de door hem in beroep overgelegde stukken niet af te leiden dat hij volledig arbeidsongeschikt te achten is of dat elk realistisch perspectief op arbeidsinschakeling ontbreekt. In dit licht merkt de Raad nog op dat de ontheffing van de verplichting om zelf actief naar werk te zoeken is ingegeven door het standpunt van het College dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, is aangewezen op begeleiding naar de arbeidsmarkt. Het is voor de Raad geenszins komen vast te staan dat appellant niet tot het deelnemen aan een dergelijk traject in staat is.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen ziet de Raad geen aanleiding om, zoals appellant in hoger beroep heeft verzocht, een psychiater en een revalidatiearts als deskundige te benoemen om de psychische en lichamelijke beperkingen van appellant in kaart te brengen.

4.6. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen aanwezig zijn om appellant tijdelijk volledig te ontheffen van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichtingen.

4.7. Uit hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en H.C.P. Venema en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

NK