Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
08-251 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Van een onzorgvuldig medisch onderzoek is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellant de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De Raad acht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages de geschiktheid van de functies voor appellant voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/251 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2007, 07/1337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.P.M. van de Westerlo, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 juni 2009 heeft mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne, zich als (opvolgend) gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Hendriks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die werkzaam was via een uitzendbureau als productiemedewerker, heeft zich op 22 september 2004 ziek gemeld vanwege knieklachten. Appellant had al langer bestaande schouderklachten. Later heeft hij ook longklachten en lage rugklachten gekregen.

2. Op 24 mei 2006 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 19 september 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat appellant op 20 september 2006, het einde van de geldende wachttijd, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 5 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.1. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. In hoger beroep heeft hij, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft onder meer verwezen naar de informatie van zijn behandelaars en begeleiders die hij in de loop van de procedure heeft ingezonden. Ter zitting is van de zijde van appellant nog betoogd dat geen rekening is gehouden met pijn- en spanningsklachten en dat appellant zichzelf alleen nog maar geschikt acht voor werk in WSW-verband.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Appellant is medisch onderzocht door zowel een verzekeringsarts in opleiding als een bezwaarverzekeringsarts. Beiden hebben daarnaast nog een oriënterend onderzoek van de psyche verricht. De in de loop van de bezwarenprocedure van de oefentherapeute Cesar, orthopedisch chirurg, internist en huisarts ontvangen informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokken in zijn overwegingen. Alle door appellant aangegeven klachten zijn door deze in diens beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd gereageerd op alle informatie die appellant in beroep en hoger beroep heeft ingezonden. Van een onzorgvuldig medisch onderzoek is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

5.2. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 augustus 2006, aangepast op 13 december 2006 op onderdeel V.6, zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de belastbaarheid van knieën, rug en schouders. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de beperkingen onjuist of onvolledig zijn vastgesteld. De van de zijde van appellant in hoger beroep ingezonden informatie is deels niet van medische aard en heeft deels, voor zover na te gaan, geen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant rond de in geding zijnde datum, zoals bij voorbeeld de brief van 29 oktober 2008 van de anesthesioloog Fava, waarin wordt gesproken over in de loop van het jaar 2008 opgetreden pijn- en spanningsklachten. Uit het eindrapport van IWA arbeidsintegratie van 5 oktober 2007 blijkt dat appellant is afgewezen voor de WSW omdat er voor hem voldoende mogelijkheden zijn op de reguliere arbeidsmarkt.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellant de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De Raad acht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages de geschiktheid van de functies voor appellant voldoende gemotiveerd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 3 april 2008 nog nader heeft toegelicht dat in de geduide functies knielen of hurken niet of nauwelijks voorkomt, zodat ook op dit punt geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant plaats vindt.

6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM