Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
08-3032 AOW + 08-3033 AOW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-uitkeringen. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan het criterium hoofdverblijf in dezelfde woning. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad behoeft het aanhouden van verschillende woonadressen op zichzelf niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. De Raad is van oordeel dat laatstgenoemde situatie zich in het onderhavige geval voordoet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellanten ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg voldeden. Geen sprake van dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3032 AOW

08/3033 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], appellante, en [Appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2008, 07/2943 en 07/2977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 1 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.L.M.F. Roosendaal, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Roosendaal. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen ten tijde in geding beiden een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde.

1.2. Naar aanleiding van een aantal anonieme tips heeft de sociale recherche van de Svb, regio Noord-Oost, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte pensioenen. In dat kader is appellante op 5 april 2007 en appellant op 12 april 2007 door twee sociaal rechercheurs, werkzaam bij de Svb, gehoord. Op grond van de door appellanten afgelegde verklaringen heeft de Svb bij afzonderlijke besluiten van 26 april 2007 de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van 1 november 2006 herzien en nader vastgesteld op het bedrag dat geldt voor een gehuwde of ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten sedert 1 november 2006 een gezamenlijke huishouding voeren op het adres van appellante te [woonplaats].

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 27 juli 2007, voor zover van belang, heeft de SvB de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 26 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 27 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 1, vierde lid, van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij is niet van belang hoe betrokkenen hun woon- en leefsituatie zelf beleven of kwalificeren.

4.3. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning.

4.4. Ten tijde in dit geding van belang beschikten appellanten ieder over eigen woonruimte, appellante in [woonplaats] en appellant in [plaatsnaam].

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad behoeft het aanhouden van verschillende woonadressen op zichzelf niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. De Raad is van oordeel dat laatstgenoemde situatie zich in het onderhavige geval voordoet.

4.5. De Raad kent daarbij, evenals de rechtbank, zwaarwegende betekenis toe aan de door appellanten tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen, welke zijn neergelegd in een tweetal rapporten en in twee afzonderlijke, door appellant respectievelijk appellante ondertekende checklists. De Raad acht niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk is afgelegd en wijst er in verband hiermede op dat de afzonderlijk door appellanten afgelegde verklaringen in overeenstemming zijn met elkaar en dat beide verklaringen zonder enig voorbehoud zijn ondertekend. Uit deze verklaringen blijkt onder meer dat appellant wekelijks vanaf donderdag tot dinsdagmorgen in de woning van appellante verbleef en dat het zwaartepunt van hun sociale leven zich in [woonplaats] afspeelde. Deze gegevens, in onderling verband bezien, acht de Raad in het onderhavige geval voldoende om een gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van appellante ten tijde in geding aan te nemen. Dat appellant van dinsdag tot donderdag feitelijk van zijn eigen woning gebruikmaakte en de aan die woning verbonden lasten voldeed, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.6. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7. Daarvan uitgaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellanten ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg voldeden. De Raad verwijst ook hiertoe naar de door appellanten afgelegde verklaringen, waaruit onder meer naar voren komt dat appellanten samen boodschappen doen, op vakantie gaan en samen bezoek ontvangen en op bezoek gaan bij vrienden en familieleden. Ook ten aanzien van deze aspecten komen de door appellanten afgelegde verklaringen met elkaar overeen.

4.8. In hetgeen appellanten overigens nog in hoger beroep naar voren hebben gebracht geeft de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.9. Het voorgaande brengt mee dat de Svb, gelet op het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW, de AOW-pensioenen van appellanten terecht met ingang van 1 november 2006 heeft herzien. In hetgeen van de zijde van appellanten naar voren is gebracht ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van herziening kon afzien.

4.10. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NW