Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
07-6570 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Beoordelingsperiode. Ten tijde in geding was appellante niet daadwerkelijk woonachtig op het door haar opgegeven adres. Geen (onaanvaardbare) druk of andere redenen om niet van de juistheid van haar verklaring uit te gaan. Geen aanleiding om de bevindingen van het onaangekondigde huisbezoek in haar woning buiten beschouwing te laten. Appellant en echtgenoot aanmerken als gezin. Intrekking berust niet op een juiste wettelijke grondslag. Vernietiging met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6570 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 november 2007, 06/9188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Jankie, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jankie. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 juli 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Volgens haar opgave woonde zij op het adres [adres 1] en leefde zij duurzaam gescheiden van haar echtgenoot [naam echtgenoot], eveneens woonachtig te [woonplaats], op het adres [adres 2].

1.2. In het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante hebben op 7 juni 2006 op beide adressen huisbezoeken plaatsgevonden, eerst in de woning van [naam echtgenoot] en even later in die van appellante, en is appellante gehoord. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van 7 juni 2006, heeft het College bij besluit van 9 juni 2006 de bijstand van appellante met ingang van

1 juni 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat geconstateerd is dat zij verblijf houdt op het adres van haar partner en op basis van de huidige gegevens geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet daadwerkelijk woonachtig is op het door haar opgegeven adres, met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 tot en met 9 juni 2006.

4.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig was op het door haar opgegeven adres. Blijkens het handgeschreven en door appellante ondertekende verslag van het huisbezoek in haar woning, opgetekend op de achterkant van een GBA-uitdraai, zoals in de rapportage van

7 juni 2006 is vermeld, heeft appellante tegen de onderzoeksambtenaren uitdrukkelijk verklaard “dat zij hier nooit is (vanaf april 1998)”. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat appellante deze verklaring, die steun vindt in de bevindingen van het huisbezoek, onder (onaanvaardbare) druk heeft afgelegd of dat om andere redenen niet van de juistheid van haar verklaring mag worden uitgegaan. Evenmin ziet de Raad aanknopingspunten dat appellante, naar zij eerst ter zitting van de Raad heeft gesteld, gedwongen was haar handtekening onderaan een leeg A-4tje te zetten en dat de onderzoeksambtenaren daarop pas later hun verslag van het huisbezoek hebben opgetekend. Appellante heeft voorts betoogd dat en waarom de bevindingen van het huisbezoek geen grond bieden voor de conclusie dat zij niet woonde op het adres [adres 1], maar gelet op haar expliciete verklaring dat zij nooit in haar woning is, gaat de Raad daaraan voorbij. Ten slotte ziet de Raad niet in dat, zoals appellante heeft betoogd, de bevindingen van het onaangekondigde huisbezoek in haar woning buiten beschouwing moeten worden gelaten. Gelet op de bevindingen van het huisbezoek in de woning van [naam echtgenoot] bestond immers aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, zodat voor het afleggen van een huisbezoek een redelijke grond aanwezig was. Onder deze omstandigheden is, anders dan appellante meent, het verlenen van een ‘informed consent’ niet vereist.

4.4. Voorts bieden de bevindingen van het huisbezoek in de woning van [naam echtgenoot], neergelegd in een zowel door [naam echtgenoot] als appellante ondertekend (handgeschreven) registratieformulier, voldoende grondslag om aan te nemen dat in de periode hier in geding appellante en [naam echtgenoot] niet duurzaam gescheiden leefden. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellante dat haar een rapportageformulier is voorgehouden dat deels leeg was, maar waarop wel al de handtekening van [naam echtgenoot] stond, en eerst later, na medeondertekening door haar, door de onderzoeksambtenaren is ingevuld.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn - bij partijen bekende - uitspraak van 15 april 2008, LJN BC9551, waarbij is geoordeeld dat appellante en [naam echtgenoot] met ingang van 1 juni 2006, beoordeeld tot 10 juli 2006, moeten worden beschouwd als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c ten tweede, van de WWB. Nu hieruit volgt dat appellante per die datum niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, berust de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2006 niet op een juiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 oktober 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huis-houding.

DW