Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
07-6153 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dat appellant de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank niet tijdig heeft ontvangen, is voor zijn rekening, nu hij geen adreswijziing heeft gestuurd aan de rechtbank. De slechte gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier van belang vormt geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6153 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 september 2007, 07/2091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 juli 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 6 oktober 2006 heeft appellant bij het College een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 13 november 2006 heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten.

1.2. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellant heeft gesteld dat hij de uitnodiging van de rechtbank om op de zitting van 14 september 2007 te verschijnen eerst op 11 september 2007 heeft ontvangen en als gevolg daarvan geen gelegenheid heeft gehad zijn beroep mondeling te motiveren. Voor zover appellant daarmee heeft beoogd aan te voeren dat hij niet met inachtneming van de in artikel 8:56 van de Awb genoemde termijn is uitgenodigd op een zitting van de rechtbank te verschijnen volgt de Raad hem hierin niet. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.1.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in zijn beroepschrift van 24 mei 2007 heeft aangegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Bij een aangetekend aan dat adres verzonden brief van 1 augustus 2007 heeft de griffier van de rechtbank appellant uitgenodigd om op de zitting van 14 september 2007 te verschijnen. Op 6 september 2007 heeft de rechtbank deze brief van TNT post retour ontvangen. Nadat was gebleken dat appellant vanaf 26 juni 2007 in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op de [adres 2] te [woonplaats], heeft de griffier bij aangetekend aan laatstgenoemd adres verzonden brief van 10 september 2007 de uitnodiging voor de zitting van 14 september 2007 nogmaals verstuurd.

4.1.3. De Raad is niet gebleken dat appellant de rechtbank op de hoogte heeft gesteld van de wijziging van zijn adres. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de uitnodiging voor de zitting bij brief van 1 augustus 2007 tijdig is verzonden naar het bij de rechtbank toen bekende adres van appellant, is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant die uitnodiging eerst op 11 september 2007 heeft ontvangen voor rekening van appellant dient te blijven. De Raad merkt in dit verband nog op dat de griffier van de rechtbank appellant bij brief van 30 mei 2007 heeft verzocht om alle wijzigingen in zijn situatie die van belang kunnen zijn, zoals een adreswijziging, schriftelijk aan de rechtbank door te geven.

4.2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41 van de Awb is bepaald dat bekendmaking van besluiten die - zoals het besluit van 13 november 2006 - tot een of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.2. In het voorliggende geval is niet in geschil dat het besluit van 13 november 2006 op diezelfde datum is verzonden naar het adres van appellant. Dat betekent dat de bezwaartermijn op 14 november 2006 is aangevangen en - met inachtneming van het bepaalde in de Algemene termijnenwet - op 27 december 2006 is geëindigd.

4.2.3. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend, indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2.4. Appellant heeft gesteld dat het bezwaarschrift van 27 december 2006 nog diezelfde dag aan het College is gefaxt. Nu het College heeft ontkend een faxbericht van appellant te hebben ontvangen, ligt het op de weg van appellant zijn stelling aannemelijk te maken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daar niet in is geslaagd.

4.2.5. De Raad neemt op grond van de gedingstukken als vaststaand aan dat het bezwaarschrift van appellant per post aan het College is verzonden en daar eerst op 3 januari 2007 is ontvangen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet tevens als vaststaand kan worden aangenomen dat het bezwaarschrift vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. De Raad acht daarbij van doorslaggevend belang dat op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden een poststempel met de datum 29 december 2006 is aangebracht. Het beroep van appellant op het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2007, LJN AZ5555, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Dat arrest betrof de hier niet aan de orde zijnde vraag wie aannemelijk dient te maken op welke datum een bezwaarschrift ter post is bezorgd. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

4.3.1. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.2. De Raad ziet in de slechte gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier van belang geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellant is immers in staat gebleken zich binnen de bezwaartermijn tot zijn toenmalige gemachtigde te wenden die het bezwaarschrift op de laatste dag van de bezwaartermijn heeft opgesteld. Dat deze gemachtigde het bezwaarschrift wellicht niet tijdig ter post heeft bezorgd dient volgens vaste rechtspraak van de Raad voor rekening van appellant te blijven. Dat de rechtbank Arnhem in een uitspraak van 16 oktober 2007 met reg. nr. 07/2242 de overschrijding van de bezwaartermijn in een belastingzaak mede gelet op de gezondheidssituatie van appellant verschoonbaar heeft geacht, doet aan het voorgaande niet af. De Raad merkt in dit verband op dat uit die uitspraak blijkt dat appellant in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, zelf een bezwaarschrift had ingediend. Ook in hetgeen appellant overigens heeft gesteld ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) B.E. Giesen.

NW