Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
08/239 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat betrokkene inkomsten genoot uit activiteiten die naar het oordeel van de Raad beschouwd moeten worden als op geld gewaardeerde werkzaamheden waarmee normaliter inkomsten kunnen worden gegenereerd. Het had betrokkene naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze activiteiten van invloed konden zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door geen melding te maken aan het College van betrokkenes activiteiten kan als gevolg daarvan, in aanmerking genomen dat betrokkene van zijn activiteiten en de transacties geen administratie heeft bijgehouden, het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/239 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 november 2007, 07/106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, hoger beroep ingsteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. L.S. Wachters, advocaat te Groningen. Het College heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 22 augustus 2002 tot en met 31 januari 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Nadat uit een eerder onderzoek van de afdeling fraudecontrole van de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen is gebleken, dat appellant een aantal kentekens op zijn naam heeft gehad zonder daarvan aan het College melding te maken, heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW), is appellant verhoord en heeft een getuige een verklaring afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 20 maart 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 8 maart 2006 de bijstand van appellant over de periode van 22 augustus 2002 tot en met 31 januari 2004 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 17.485,08 van appellant terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College het tegen het besluit van 8 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt met het College vast dat blijkens de kentekenregistratie van de RDW in de periode dat appellant bijstand ontving, van 22 augustus 2002 tot en met 31 januari 2004, 8 kentekens van auto’s gedurende een wat langere periode op naam van appellant hebben gestaan. Voorts staat vast dat van deze 8 op zijn naam staande auto’s slechts 1 door appellant aan het College is gemeld en 6 daarvan in de periode in geding zijn overgegaan op naam van derden. Appellant heeft hieromtrent op 10 februari 2004 verklaard, zoals is opgetekend in de rapportage van 25 februari 2004, dat deze auto’s niet van hem waren maar van kennissen, vrienden en familie, voor wie hij deze auto’s opknapte. Voorts heeft appellant tegenover de sociale recherche op 21 februari 2006 verklaard dat hij tijdens de periode waarin hij bijstand ontving reparatiewerkzaamheden heeft verricht voor derden alsmede werkzaamheden heeft verricht voor [K.] (hierna: [K.]). [K.] heeft hierover ter zitting van de rechtbank op 19 november 2007 verklaard dat zijn bedrijf kamers, woningen en bedrijfspanden verhuurt, dat hij appellant wel eens meenam naar zijn bedrijf en appellant hem dan meehielp met een aantal werkzaamheden. Dat de hiervoor door appellant verrichte werkzaamheden voor [K.] dan wel voor anderen, zoals appellant stelt, verricht zouden zijn in het kader van een soort stage- dan wel proefproject is de Raad op grond van de gedingstukken niet gebleken. Uit de gedingstukken, waaronder de eerder genoemde rapportage van

25 februari 2004, blijkt slechts dat door de Dienst Sociale Zaken en Werk aan appellant vanaf 15 januari 2004 voor een periode van 4 maanden toestemming is gegeven voor activiteiten in het kader van een werkervaringsplaats als autoverkoper.

4.2. Naar het oordeel van de Raad moeten de hiervoor door appellant verrichte activiteiten worden beschouwd als op geld waardeerbare werkzaamheden waarmee normaliter inkomsten kunnen worden gegenereerd en had het appellant naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door geen melding te maken aan het College van de registraties, de op geld waardeerbare activiteiten en de transacties met betrekking tot de auto’s kan als gevolg daarvan, in aanmerking genomen dat appellant van zijn activiteiten en de transacties geen administratie heeft bijgehouden, het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet worden vastgesteld.

4.3. Naar het oordeel van de Raad was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 22 augustus 2002 tot en met 31 januari 2004 in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake intrekking en terugvordering.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van die beleidsregels had moeten afwijken.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ