Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
08-605 WAO + 08-3086 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (45-55%). Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is, na een nieuw arbeidskundig onderzoek, een nieuw besluit (65-80%) genomen. Schatting op basis van aangepaste aangepaste Schattingsbesluit. Geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Juistheid medische beperkingen. Geschiktheid geduide functies. Vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/605 WAO en 08/3086 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2007, 06/1440

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 23 mei 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 februari 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 20 februari 2006 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 52,65%.

1.3. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 mei 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts is het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de door appellant gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de grief van appellant dat hij ten onrechte is beoordeeld op basis van het nieuwe Schattingsbesluit niet besproken kan worden omdat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ziet op de datum 20 februari 2006. Gelet op de geboortedatum van appellant, [datum] 1959, valt hij onder de categorie personen die door het Uwv herbeoordeeld gaan worden op basis van het ‘oude’ Schattingsbesluit zoals dat luidde voor 18 augustus 2004. Deze ambtshalve herbeoordeling heeft, aldus de rechtbank, evenwel betrekking op het beoordelingsmoment 22 februari 2007.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat bestreden besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt omdat in bezwaar geen herbeoordeling door een bezwaararbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden terwijl er namens appellant toen ook arbeidskundige grieven naar voren waren gebracht. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich niet met de in de procedure in bezwaar in acht te nemen zorgvuldigheid. Voorts heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 maart 2003, gepubliceerd in RSV 2003/161 – overwogen dat voor de medische parttimer moet vaststaan dat de voorgehouden functies aan de eis van de in medisch opzicht maximaal mogelijke omvang voldoen. Aangezien appellant volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) gemiddeld 6 uur per dag mag werken, worden de functies waarin 8 uur per dag gewerkt dient te worden als niet geschikt beschouwd.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij onverminderd van oordeel blijft dat het Uwv ten onrechte het aangepaste Schattingsbesluit, in werking getreden per 1 oktober 2004, heeft toegepast. De datum van herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 20 februari 2006 op basis van het aangepaste Schattingsbesluit moet als willekeurig worden aangemerkt en mogelijk als strijdig met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De door de rechtbank als geschikt aangemerkte functies acht appellant niet passend gelet op de totaalbelasting en de afzonderlijke overschrijdingen. Verder heeft appellant verwezen naar de in bezwaar voorgedragen – onder andere medische – gronden. Ten slotte meent appellant dat er in de FML sprake is van een aantal zogeheten beperkende toelichtingen.

3.2. Het Uwv heeft in de uitspraak berust en een nieuw arbeidskundig onderzoek verricht. De bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren is na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot de conclusie gekomen dat de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak als passend genoemde functies gehandhaafd kunnen blijven. Bij een schatting op basis van deze functies bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 67,43%. Dit heeft geleid tot het in rubriek I van deze uitspraak genoemde nieuwe besluit op bezwaar van 23 mei 2008 (hierna: bestreden besluit 2), waarbij de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 20 februari 2006 is vastgesteld op 65 tot 80% en het verzoek tot vergoeding van de wettelijke rente is doorgeleid naar de zogenoemde primaire afdeling voor nadere besluitvorming. Aangezien bestreden besluit 2 aan het beroep van appellant tegen bestreden besluit I niet geheel tegemoet komt, wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.1. De Raad zal een oordeel geven over de aangevallen uitspraak, voor zover die door appellant is aangevochten, en over bestreden besluit 2.

4.2. Ten aanzien van de grief dat de schatting ten onrechte heeft plaatsgevonden op basis van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312, waarin de Raad in een wat dit aspect betreft vergelijkbaar geval heeft geoordeeld dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Ook ten aanzien van appellant is daarvan geen sprake.

4.3. De Raad heeft, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 1 mei 2005, waarin uitvoerig is ingegaan op de in bezwaar voorgedragen medische gronden – waarnaar in beroep en hoger beroep is verwezen – geen aanknopingspunten gevonden de voor appellant ook in het kader van het bestreden besluit 2 aangenomen beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij tekent de Raad aan dat deze arts eigenlijk van oordeel was dat een urenbeperking niet noodzakelijk was maar de gestelde urenbeperking niettemin heeft gehandhaafd.

4.4. Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat het Uwv appellant uiteindelijk en mede in verband met de voor appellant geldende urenbeperking geschikt heeft geacht voor (één van) de functies van telefonist, receptionist (SBC-code 315120), portier, toezichthouder (SBC-code 342021) en besteller post/pakketten (auto) (SBC-code 282101). In de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Harren van 23 oktober 2007 en van 22 mei 2008 is een uitvoerige toelichting gegeven op alle in de bovengenoemde functies voorkomende signaleringen. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van Harren omtrent de geschiktheid van de geduide functies voor appellant. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad zich geheel kan vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts T.W.J. Jansen van 6 december 2006 op de stelling van appellant dat de FML beperkende toelichtingen bevat.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.4 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het mede tegen bestreden besluit 2 gerichte geachte beroep ongegrond moet worden verklaard.

4.6. Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van de schade die hij lijdt als gevolg van de indeling in een onjuiste arbeidsongeschiktheidsklasse, overweegt de Raad dat het niet langer handhaven van de arbeidsongeschiktheidsklasse zoals genoemd in het bestreden besluit 1 en het herroepen van het primaire besluit van 20 februari 2005 in dit geval meebrengt dat hij voor vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling in aanmerking komt. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495, gepubliceerd in

JB 1995/314).

4.7. De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep dat is gericht tegen het bestreden besluit 2, ongegrond;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als in overweging 4.6 is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R. Benza.

TM