Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
08-3247 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering, omdat recht bestaat op loondoorbetaling door werkgever. Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan na verlenging arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De (exacte) omvang van de verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte is een civiele zaak tussen appellant en de werkgever.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3247 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 april 2008, 07/5941 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam bij Uitzendbureau [naam uitzendbureau], is wegens een (vuurwerk)ongeval op 28 december 2006 opgenomen in het ziekenhuis. Bij brief van 8 januari 2007 is appellant door een maatschappelijk werker van het ziekenhuis bij het Uwv ziek gemeld.

1.2. Bij brief van 26 februari 2007 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit dat aan hem geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt toegekend, omdat hij recht heeft op loondoorbetaling door zijn werkgever. Bij besluit van 9 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert vormt goeddeels een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 7:667, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt een arbeidsovereenkomst van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik aangegeven. Artikel 7:668, eerste lid, van het BW bepaalt dat, indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 7:667, eerste lid, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, zij geacht wordt voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden te zijn aangegaan. Voorts is in artikel 7:668a, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, bepaald dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden hebben opgevolgd, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.

4.3. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende loonstroken blijkt dat appellant in het jaar 2006 meerderde malen is opgeroepen, op 27 januari 2006, van 24 april 2006 tot en met 11 juni 2006, van 19 juni 2006 tot en met 16 juli 2006, van 24 juli 2006 tot en met 27 augustus 2006, van 4 september 2006 tot en met 1 oktober 2006 en per 4 december 2006.

4.4. De Raad gaat er vanuit dat bij verschijnen op elke oproep steeds een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaat. Nu tussen [naam uitzendbureau] en appellant meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar met tussenpozen van korter dan 3 maanden hebben opgevolgd, geldt de arbeidsovereenkomst nadien, te weten per 4 september 2006, als aangegaan voor onbepaalde tijd. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt wanneer deze rechtsgeldig is beëindigd. Van enige vorm van beëindiging is de Raad, anders dan appellant stelt, niet gebleken zodat ten tijde in geding sprake was van een dienstbetrekking. Gelet daarop was, anders dan appellant meent, de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW in geval van ziekte verplicht appellant loon door te betalen.

4.5. Met betrekking tot appellants stelling dat de werkgever in het geval van een nul-urencontract enkel een loondoorbetalingsverplichting heeft indien vast staat dat er sprake is van structureel verrichte arbeid overweegt de Raad het volgende. In het kader van artikel 29, eerste lid, van de ZW is de (exacte) omvang van de loondoorbetalingsverplichting niet van belang. Het maakt voor de toepassing van artikel 29, eerste lid, van de ZW niet uit over hoeveel uren per week recht op loon bestaat. De (exacte) omvang van de verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte is een civiele zaak tussen appellant en de werkgever, die zonodig aan de orde kan worden gesteld in een civiele procedure bij de kantonrechter. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BI2005.

4.6. Ten aanzien van appellants grief dat de werkgever pertinent heeft geweigerd het loon tijdens de ziekte uit te betalen, verwijst de Raad naar het door het Uwv in beroep overgelegde telefoonrapport van 10 september 2007. Uit het telefoonrapport blijkt dat de werkgever bereid was te betalen en daartoe met appellant een afspraak had gemaakt, maar dat appellant op die afspraak niet is verschenen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

TM