Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
08-5879 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid belastbaarheid. De enkele omstandigheid dat in de FML sprake is van een verborgen beperking is onvoldoende grond voor een vernietiging. Genoegzaam onderbouwd dat de belasting in bedoelde functies, ondanks voorkomende signaleringen, voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5879 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 augustus 2008, 07/833 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Severijn voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 31 oktober 2003 uitgevallen wegens klachten aan nek en armen en spanningsklachten voor haar werk als commercieel medewerkster callcenter. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 29 oktober 2004 bepaald op minder dan 15% in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Op 26 augustus 2005 heeft appellante zich bij het Uwv gemeld wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 23 september 2005 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 20 februari 2007 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 19 december 2006, waarbij de haar toegekende WAO-uitkering met ingang van 20 februari 2007 is herzien, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen laatstgenoemd besluit (hierna: bestreden besluit) beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij heeft, wat het medisch aspect betreft, overwogen geen aanleiding te zien om de door het Uwv ten aanzien van appellante aangenomen medische beperkingen, als neergelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 juni 2007, in twijfel te trekken. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante in beroep geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand en de daaruit voor het verrichten van arbeid voortvloeiende beperkingen per datum in geding, 20 februari 2007, anders waren dan in genoemde FML was aangegeven. De door appellante overgelegde brief van de haar behandelend psychiater M.S. Jessurun van 18 februari 2008 heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen, nu de in die brief neergelegde verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende concludent is. Wat het arbeidskundig aspect betreft, heeft de rechtbank vastgesteld dat in de FML verborgen beperkingen waren opgenomen. Zij heeft evenwel geoordeeld dat in beroep alsnog een voldoende onderbouwing is gegeven voor het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt van het Uwv dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Dit heeft de rechtbank ertoe gebracht het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de ten aanzien van haar aangenomen medische beperkingen als juist heeft aangenomen. Zij heeft daarbij aangegeven dat uit de door haar overgelegde brief van de haar behandelend psychiater Jessurun van 18 februari 2008 blijkt dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar klachten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, komt naar haar oordeel aan de rapportage van Jessurun wel degelijk grote betekenis toe. Ook is zij van mening dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de verklaring van de haar behandelend neuroloog dr. H. Kerkhoff van 23 november 2006, waaruit naar voren zou komen dat appellante last heeft van een klemzittende zenuw in de nek. Voorts heeft appellante aangegeven het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de haar voorgehouden functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn. Ook heeft appellante aangevoerd dat de omstandigheid dat de FML, zoals die op 13 maart 2008 is vastgesteld, nog steeds een verborgen toelichting kent bij het aspect 4.7, hetgeen volgens de jurisprudentie van de Raad niet is toegestaan, zodat dit moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Tot slot heeft appellante verzocht alsnog een deskundige te benoemen.

4. Het Uwv heeft zich in zijn verweerschrift gesteld achter het oordeel en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde medische gegevens genoegzaam steun bieden voor het oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 20 februari 2007, juist heeft vastgesteld. Ook de Raad acht de conclusies van de psychiater Jessurun, neergelegd in diens door appellante in de fase van beroep ingebrachte verklaring, medisch onvoldoende naar behoren onderbouwd om zich achter die conclusies te kunnen scharen. Ook de ter zitting geuite twijfel van de zijde van appellante of de bezwaarverzekeringsarts de juiste beperkingen heeft gesteld, gelet op de verklaring van de haar behandelend neuroloog Kerkhoff, acht de Raad, nu deze twijfel door appellante niet nader medisch is onderbouwd, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Gelet op dit oordeel ziet de Raad geen grond om het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen in te willigen.

5.2. De stelling van appellante dat de enkele omstandigheid dat in de FML, zoals die op 13 maart 2008 is vastgesteld, nog steeds sprake is van een verborgen beperking bij aspect 4.7 ‘Schroefbewegingen met hand en arm’, reeds voldoende grond oplevert voor een vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Hij verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153. Daarbij wijst hij er voorts op dat zowel de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst in zijn rapportage van 13 maart 2008 als ook de bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn in zijn rapportage van 17 maart 2008 uitdrukkelijk zijn ingegaan op de vraag of de belasting in de aan appellante voorgehouden functies op het aspect 4.7, gelet op de bij dat aspect gegeven toelichting door de verzekeringsarts “kan hierbij geen kracht zetten”, de belastbaarheid van appellante te boven gaat, welke vraag door beiden ontkennend is beantwoord.

5.3. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen door appellante is aangevoerd onvoldoende grond om aan te nemen dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zijn. Met de rapportages van Stoffijn van 17 maart 2008 en 21 april 2008 acht de Raad met de rechtbank genoegzaam onderbouwd dat de belasting in bedoelde functies, ondanks voorkomende signaleringen, voor appellante geschikt zijn.

5.4. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.E. van Rooij.

KR