Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
10-09-2009
Zaaknummer
08-1856 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Juistheid medische grondslag. Discrepantie tussen het gepresenteerde onvermogen en de objectief vastgestelde beperkingen. Geduide functies uit medisch oogpunt geschikt. Opleidingsniveau niet overschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1856 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2008, 07/2615 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Voor appellant is verschenen mr. Lenting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

S.N. Westmaas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden als chauffeur werkzaam bij Humanitas. Op 18 april 2005 is hij wegens rugklachten (HNP L5-S1) uitgevallen. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor het eigen werk, maar geschikt is voor gangbare arbeid waarvan hem voorbeelden zijn voorgehouden. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. Bij besluit van 7 februari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 16 april 2007 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische en arbeidskundige onderzoek zorgvuldig tot stand was gekomen en dat niet was gebleken dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschreden.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij afhankelijk is van het gebruik van elleboogkrukken. Ook blijft hij erbij dat de indeling in opleidingsniveau 2 voor hem te hoog gegrepen is en dat de functies pluimveeslachter en inpakster koekjes zijn belastbaarheid overschrijden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Anders dan appellant ziet de Raad in de (ongedateerde) brief van de fysiotherapeut, M. Boeren, en in de brief van de anaesthesist, R.J. Quist, van de pijnpoli van het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam, van

19 mei 2008, geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verzekeringsartsen meer beperkingen hadden moeten aannemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in de rapportages van 19 april 2007 en 20 juli 2009 terecht op gewezen dat uit voormelde brieven blijkt dat er bij appellant sprake is van een discrepantie tussen het gepresenteerde onvermogen en de objectief vastgestelde beperkingen. De pijnklachten van appellant zijn niet objectief vast te stellen en vanuit medisch oogpunt bezien is het gebruik van twee elleboogkrukken bij een HNP niet noodzakelijk.

4.2. Gelet op het hetgeen in 4.1 is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat appellant de hem geduide functies uit medisch oogpunt kan verrichten. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de functie van pluimveeslachter, vanwege de gladde vloeren in een slachthuis, niet geselecteerd had mogen worden, omdat de kans groot is dat hij met zijn krukken kan uitglijden. Immers nergens uit de stukken is de Raad gebleken dat het gebruik van de krukken medisch geïndiceerd is. Dat appellant niet in staat zou zijn om in de hier bedoelde functie twee keer 30 minuten aaneen te zitten kan evenmin worden onderschreven nu, zo blijkt uit resultaat functiebeoordeling, het zitten in bedoelde functie naar eigen behoefte kan worden afgewisseld met staan. Ook volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat de functie van inpakster koekjes zijn belastbaarheid op de onderdelen zitten en reiken overschrijdt. Blijkens de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 juli 2007, waarin tevens verwezen wordt naar het overleg tussen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van 2 februari 2007, wordt de belastbaarheid van appellant op die onderdelen niet overschreden, aangezien het reiken 800 maal 50 cm betreft en niet 800 maal 80 cm, terwijl het zitten kan worden afgewisseld met staan.

4.3. Wat betreft het standpunt van appellant dat de indeling in opleidingsniveau 2 voor hem te hoog gegrepen is, wijst de Raad op de zich in het dossier bevindende gedingstukken waaruit blijkt dat appellant de basisschool in Marokko heeft gevolgd, in de periode 1999 tot en met 2003, de opleiding Educatie Nederlandse taal heeft gevolgd en in het bezit is van rijbewijs B. Als werkervaring heeft appellant opgegeven zijn dienstverband bij Humanitas van 2004 tot en met 2005, zijn schoonmaakwerk in de periode 2003 tot 2004, agrarisch medewerker over de periode 1983 tot en met 1991 en café-eigenaar van 1993 tot en met 1994. Op grond van deze, door appellant verstrekte informatie, is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat de arbeidsdeskundige het opleidingsniveau van appellant heeft overschat danwel dat de voorbeeldfuncties ongeschikt zouden zijn voor appellant.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, J. Riphagen en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

TM