Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
07-2185 ANW + 07-2308 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 27 januari 1999, zijnde de datum van het overlijden van haar echtgenoot. Daarbij wijst de Raad erop dat de verzekeringsarts in zijn rapportage rekening heeft gehouden met alle medische en andere gegevens omtrent appellante afkomstig uit Turkije. Namens appellante is weliswaar gewezen op enkele onjuiste of onvolledige vertalingen van de Turkse rapporten, doch na kennisneming van die aanvullingen, correcties en verbeteringen heeft de verzekeringsarts zijn conclusies gehandhaafd, omdat de aanvullingen van zeer beperkte aard en omvang zijn en geen noemenswaardige betekenis hebben voor de opgestelde functiemogelijkhedenlijst. Schending redelijke termijn in bestuurlijke en rechterlijke fase. Heropening onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2185 ANW

07/2308 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], Turkije (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2007, 04/3393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft eveneens hoger beroep ingesteld, doch dit hoger beroep is ter zitting ingetrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008. Namens appellante is daarbij verschenen mr. Madern, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

De Raad heeft het onderzoek in deze procedure heropend.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting.

II OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft na het overlijden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot appellante], op 17 maart 1999 in Turkije, een aanvraag om een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb. Bij besluit van 30 augustus 1999 heeft de Svb geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen omdat zij, voor zover van belang, op de datum van het overlijden van haar echtgenoot niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was.

1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 20 juli 2000 ongegrond verklaard. Laatstgenoemd besluit is bij uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2001 vernietigd, kort samengevat, omdat de stelling van de Svb dat appellante voor 60% arbeidsgeschikt was niet voldoende was gemotiveerd.

1.3. Vervolgens heeft de Svb nader onderzoek laten verrichten. In mei 2003 is appellante in Turkije door acht artsen onderzocht. Na kennisneming van de bevindingen van deze artsen hebben een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gerapporteerd aan de Svb. Daarbij is de arbeidsdeskundige tot de slotsom gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 27 januari 1999 minder dan 45% bedroeg.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb, onder meer, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 augustus 1999 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de resultaten van de medische onderzoeken van appellante en dat de Svb op basis daarvan terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een ANW-uitkering. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde redelijke termijn is overschreden door de Svb. In verband met die overschrijding heeft de rechtbank de Svb veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ad € 2.683,33. Bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding heeft de rechtbank een reductiefactor van 0,7 toegepast op het door haar gehanteerde basisbedrag in verband met de levensstandaard in Turkije.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de vaststelling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid onzorgvuldig is geschied. Op grond van de gegevens afkomstig uit Turkije moet volgens appellante geconcludeerd worden dat zij voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is. Verder is namens appellante de door de rechtbank toegepaste reductiefactor van 0,7 bij de vaststelling van de schadevergoeding betwist. Ter zitting is namens appellante tevens verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase van deze procedure.

4.1.1. De Raad stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen allereerst in geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet meer bedroeg dan 45% op 27 januari 1999. Met betrekking tot dit geschilpunt overweegt de Raad het volgende.

4.1.2. Artikel 11 van de ANW luidt aldus:

"1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.".

4.1.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene arbeidsongeschiktheidswet (tezamen: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Voorts dient bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden.

4.1.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 27 januari 1999, zijnde de datum van het overlijden van haar echtgenoot. Daarbij wijst de Raad erop dat de verzekeringsarts in zijn rapportage rekening heeft gehouden met alle medische en andere gegevens omtrent appellante afkomstig uit Turkije. Namens appellante is weliswaar gewezen op enkele onjuiste of onvolledige vertalingen van de Turkse rapporten, doch na kennisneming van die aanvullingen, correcties en verbeteringen heeft de verzekeringsarts zijn conclusies gehandhaafd, omdat de aanvullingen van zeer beperkte aard en omvang zijn en geen noemenswaardige betekenis hebben voor de opgestelde functiemogelijkhedenlijst.

4.1.5. Het feit dat de psychiater B. Arapaslan over appellante heeft opgemerkt: “zij is niet in staat te werken”, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Daarbij wijst de Raad erop dat de psychiater zijn oordeel kennelijk heeft gebaseerd op de situatie van appellante ten tijde van zijn onderzoek in 2003. Voor dit geding is echter slechts van belang de medische situatie van appellante op de dag van overlijden van haar echtgenoot, zijnde 27 januari 1999. In de rapportage van de psychiater wordt niet aangegeven hoe de situatie van appellante toen was. Wel wijst hij erop dat haar klachten zijn toegenomen na het overlijden van haar echtgenoot. Ook de coördinatiearts N.M. Kucukosmanoglu wijst erop dat appellante eerder wel enige psychologische problemen had, maar dat die na de dood van haar man zijn verergerd. Op grond van de thans bekende gegevens kan naar ’s Raads oordeel niet gezegd worden dat de verzekeringsarts de voor appellante op 27 januari 1999 geldende psychische beperkingen heeft onderschat.

4.1.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 27 januari 1999 terecht is vastgesteld op minder dan 45% en dat de Svb terecht heeft besloten dat appellante derhalve geen aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering vanaf januari 1999. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

4.2.1. Appellantes gemachtigde heeft de Raad voorts verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase.

4.2.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

4.2.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 5 juni 2009 (LJN BI9029), dient de levensstandaard in het woonland van betrokkene geen rol te spelen bij het bepalen van de omvang van de aanspraak op vergoeding, nu het hier gaat om genoegdoening voor spanning en frustratie wegens schending van een rechtsplicht die valt binnen de Nederlandse rechtssfeer. Hieruit volgt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte een reductiefactor van 0,7 heeft toegepast bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding. Om deze reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

4.2.4. Nu ook in hoger beroep een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voorligt en dit verzoek zich tevens uitstrekt tot een overschrijding in de rechterlijke fase, zal de Raad appellantes recht op schadevergoeding ten tijde van deze uitspraak beoordelen.

4.2.5. Voor de wijze van beoordeling van een geval als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044).

4.2.6. Voor dit geding betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van appellante op 24 september 1999 tot de datum van deze uitspraak zijn ruim negen jaar en elf maanden verstreken. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank ruim negen maanden heeft geduurd, waarmee de rechtbank in deze fase haar behandelingsduur niet heeft overschreden. De behandeling van het tweede beroep bij de rechtbank heeft ruim eenendertig maanden geduurd. Ten slotte heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad drie jaar en ruim acht maanden geduurd. Nu de overschrijding in de rechterlijke fase niet de totale overschrijding verklaren, kan aan deze vaststellingen het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.2.7. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist over appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij, naast de Svb, de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellante.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 08/5312 en 09/4801 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn en merkt - naast de Svb - de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1288,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht ad € 143,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

NW