Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
08-5039 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het besluit waarbij wordt vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, moet het Uwv de door hem vastgestelde inkomenseis meedelen aan de uitkeringsgerechtigde. Een belanghebbende moet die vaststelling van de inkomenseis kunnen laten toetsen door de bestuursrechter. Dit brengt mee dat een belanghebbende in het kader van een beroep tegen een besluit waarbij is vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, onder meer kan aanvoeren dat de in dat besluit vermelde inkomenseis onjuist is vastgesteld. Als de beroepsgronden betrekking hebben op de in dat besluit vermelde inkomenseis, moet worden uitgegaan van (proces) belang daarbij. Het beroep van appellante is dan ook wel gericht tegen de vaststelling dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Bij aanvechting van de inkomenseis moet de desbetreffende beroepsgrond kunnen leiden tot toetsing van de vraag of de resterende verdiencapaciteit juist is vastgesteld. Deze vaststelling is een van de (onzelfstandige) aspecten van de besluitvorming die leidt tot de vaststelling dat al dan niet recht is ontstaan op een WGA-uitkering. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep gegrond verklaard voor zover betrekking hebbende op de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis (LJN BD1231). Voor dit geding ten overvloede is de Raad van oordeel dat als het Uwv ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde op een later moment dan in het besluit waarbij wordt vastgesteld dat recht op een WGA-uitkering is ontstaan, een gewijzigde inkomenseis vaststelt of een vastgestelde inkomenseis handhaaft, ook die vaststelling dan wel handhaving ter toetsing kan worden voorgelegd aan de bestuursrechter. Dit geldt eveneens als, na ommekomst van de loongerelateerde WGA-uitkering, wordt besloten of er aansluitend recht bestaat op een loonaanvullingsuitkering. In het kader van die besluitvorming is de (vaststelling van de) inkomenseis als een besliscomponent aan te merken. In het kader van een beroep tegen een besluit waarbij is vastgesteld dat geen recht op een loonaanvullingsuitkering bestaat, kan om die reden worden aangevoerd dat wel aan de inkomenseis is voldaan dan wel dat van een onjuiste inkomenseis is uitgegaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 393 met annotatie van A. Tollenaar
RSV 2009/317
NJB 2009, 1960
USZ 2009/322 met annotatie van Red.
JB 2009/259 met annotatie van A.J. Bok
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5039 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 juli 2008, 07/1300

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn bij brief van 27 november 2008 nadere stukken ingezonden, waarop door het Uwv bij brief van 14 januari 2009 is gereageerd.

Bij brief van 4 februari 2009 zijn namens appellante de gronden aangevuld en is wederom een stuk ingezonden. Nadien zijn namens appellante nog brieven gedateerd 6 februari 2009 en 11 februari 2009 ingezonden.

Het Uwv heeft bij brief van 12 februari 2009 gereageerd op de aanvullende gronden en de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2006 afwijzend beslist onder overweging dat appellante per 10 september 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat voor appellante met ingang van 10 september 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van die datum moet worden gesteld op 35 tot 80%. Dit besluit is gebaseerd op een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, gedateerd 30 mei 2007, en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. Leentjens, gedateerd 18 juni 2007. In laatstgenoemde rapportage is geconcludeerd dat de eerder bepaalde resterende verdiencapaciteit gehandhaafd kan blijven en wel op € 12,28 bruto per uur.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard voor zover betrekking hebbende op de WGA-uitkering. De rechtbank heeft voorts het beroep gegrond verklaard voor zover betrekking hebbend op de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis, in zoverre het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluitonderdeel in stand blijven.

2.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat, aangezien appellante heeft aangegeven zich te realiseren dat een verhoging van het bij het bestreden besluit vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage in haar geval niet zal leiden tot een hogere uitkering, de hoogte van de WGA-uitkering niet in geschil is. Om deze reden heeft de rechtbank het beroep tegen de vaststelling van de WGA-uitkering niet-ontvankelijk verklaard. In de tweede plaats heeft de rechtbank overwogen dat naar haar oordeel de vaststelling van de voor een betrokkene geldende resterende verdiencapaciteit en inkomenseis, – ook in dit geval waar het Uwv enkel impliciet hierover heeft beslist – moet worden aangemerkt als een zelfstandig op rechtsgevolg gericht besluit(onderdeel) en dat een betrokkene tegen de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis moet kunnen opkomen. Appellante heeft naar haar oordeel om die reden een procesbelang, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen dat dwingendrechtelijk voor het Uwv uit artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA voortvloeit dat het de inkomenseis vaststelt per de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering. Vervolgens heeft de rechtbank beslist over de door appellante in beroep aangevoerde gronden, die er - kort gezegd - op neerkomen dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. De rechtbank heeft daaromtrent overwogen dat door het Uwv voldoende is onderbouwd dat een urenbeperking in het geval van appellante niet aan de orde is en dat deze beroepsgrond van appellante niet kan slagen. Omdat het Uwv pas in beroep heeft gemotiveerd dat een urenbeperking niet aan de orde is, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zij belang heeft bij een beroep tegen de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit. In beroep had zij hiertoe al gesteld dat het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage – gelet op het verband tussen de resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis – invloed kan hebben op een te ontvangen loonaanvullingsuitkering, nadat de loongerelateerde uitkering afloopt. Zij kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank, dat de resterende verdiencapaciteit juist is vastgesteld, omdat zij van mening is dat een urenbeperking wel aan de orde is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij regelmatig en structureel onder werktijd behandelingen moet ondergaan. Ter ondersteuning heeft zij verklaringen van drs. A. Zaal, gezondheidszorgpsycholoog en neuropsycholoog, en drs. P.G. Bottenberg, psycholoog en psychotherapeut i.o, alsmede van haar huisarts, overgelegd.

4. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift en later onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 6 januari 2009 en 11 februari 2009, als zijn opvatting te kennen gegeven dat op juiste gronden is aangenomen dat ten aanzien van appellante geen urenbeperking aan de orde is.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. Uit de tekst van artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA, gelezen in samenhang met de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, vloeit naar het oordeel van de Raad voort dat het Uwv, in het besluit waarbij wordt vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, de door hem vastgestelde inkomenseis moet meedelen aan de uitkeringsgerechtigde. Mede gelet op de uit de parlementaire geschiedenis ervan blijkende bedoelingen van de wetgever, vloeit uit deze bepaling naar het oordeel van de Raad tevens voort dat een belanghebbende die vaststelling van de inkomenseis moet kunnen laten toetsen door de bestuursrechter. Dit brengt mee dat een belanghebbende in het kader van een beroep tegen een besluit waarbij is vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, onder meer kan aanvoeren dat de in dat besluit vermelde inkomenseis onjuist is vastgesteld. Dit brengt voorts mee dat, indien door een belanghebbende tegen een besluit waarbij is vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering beroep wordt ingesteld en de beroepsgronden betrekking hebben op de in dat besluit vermelde inkomenseis, moet worden uitgegaan van (proces) belang daarbij. Overigens blijkt ook uit artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA van zulk een belang. In dit artikel is voor zover hier van belang bepaald dat, indien de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is verstreken de WGA-uitkering bestaat uit een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen uit arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid.

5.1.2. Het overwogene onder 5.1.1 brengt mee dat het beroep van appellante, anders dan de rechtbank heeft beslist, wel is gericht tegen de vaststelling dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Dit betekent dat de rechtbank het beroep ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.1.3. Ingevolge artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA is de inkomenseis gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Indien een uitkeringsgerechtigde de inkomenseis aanvecht moet de desbetreffende beroepsgrond kunnen leiden tot toetsing van de vraag of de resterende verdiencapaciteit juist is vastgesteld. Deze vaststelling is een van de (onzelfstandige) aspecten van de besluitvorming die leidt tot de vaststelling dat al dan niet recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Om deze reden kan een betrokkene gronden aanvoeren die zich richten tegen de ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen, de belastbaarheid, alsook gronden die zich richten tegen de met toepassing van de artikelen 9 en volgende van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten ten aanzien van hem vastgestelde resterende verdiencapaciteit.

5.1.4. Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard voor zover betrekking hebbende op de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis, in zoverre het bestreden besluit heeft vernietigd en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluitonderdeel in stand blijven. Hij verwijst hiertoe naar zijn uitspraak van 13 mei 2008, LJN BD1231, waarin is neergelegd dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is niet anders bij een besluit waarbij wordt vastgesteld dat ingevolge de Wet WIA recht op uitkering is ontstaan dan wel is gewijzigd. De vaststelling van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de vaststelling of er ingevolge de Wet WIA een recht op uitkering is ontstaan, is een van de aspecten die met betrekking tot de arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dienen te worden bezien teneinde de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene te kunnen vaststellen. Dit aspect is, net als de arbeidskundige component waarvan het deel uitmaakt, niet als een zelfstandig deelbesluit aan te merken. Voorts overweegt de Raad dat tussen de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en de vaststelling van de inkomenseis een zodanige samenhang bestaat dat ook laatstgenoemde vaststelling niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken. Dit betekent dat voor een gedeeltelijke vernietiging, namelijk voor zover het de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis betreft, geen plaats is.

5.1.5. Overigens – voor dit geding ten overvloede – is de Raad van oordeel dat als het Uwv ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde op een later moment dan in het besluit waarbij wordt vastgesteld dat recht op een WGA-uitkering is ontstaan, een gewijzigde inkomenseis vaststelt of een vastgestelde inkomenseis handhaaft, ook die vaststelling dan wel handhaving ter toetsing kan worden voorgelegd aan de bestuursrechter. Dit geldt eveneens als, na ommekomst van de loongerelateerde WGA-uitkering, wordt besloten of er aansluitend recht bestaat op een loonaanvullingsuitkering. In het kader van die besluitvorming is de (vaststelling van de) inkomenseis als een besliscomponent aan te merken. In het kader van een beroep tegen een besluit waarbij is vastgesteld dat geen recht op een loonaanvullingsuitkering bestaat, kan om die reden worden aangevoerd dat wel aan de inkomenseis is voldaan dan wel dat van een onjuiste inkomenseis is uitgegaan.

5.2. Gelet op hetgeen de Raad onder 5.1 heeft overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad als volgt.

5.3. De Raad stelt vast dat het Uwv bij het bestreden besluit niet expliciet de voor appellante geldende inkomenseis heeft vastgesteld, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA.

5.4.1. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv haar resterende verdiencapaciteit onjuist heeft vastgesteld omdat haar belastbaarheid voor arbeid is overschat. Deze belastbaarheid is door het Uwv overschat, omdat geen urenbeperking is aangenomen terwijl daarvoor voldoende grond bestond. Appellante heeft gesteld dat zij op de datum in geding en daarna behandelingen heeft ondergaan die tot een urenbeperking aanleiding moeten geven. De omstandigheid dat zij op eigen initiatief met deze behandelingen is gestart, nadat dit haar in overweging was gegeven door de internist prof. dr. P. Pop in zijn schrijven van 19 november 2003 aan appellantes huisarts, en zij, naar zij heeft gesteld, in overleg met de huisarts zelf voor een tweetal bepaalde behandelaars heeft gekozen, maakt in haar ogen niet dat deze behandelingen niet tot een urenbeperking zouden kunnen leiden. Met verklaringen van beide behandelaars heeft appellante, naar zij stelt, het tijdsbeslag van de behandelingen aannemelijk gemaakt.

5.4.2. De Raad is, gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in verband met de beperkingen van appellante door het Uwv een urenbeperking had moeten worden aangenomen. De Raad ziet in hetgeen door het Uwv naar voren is gebracht een voldoende draagkrachtige onderbouwing voor het in het bestreden besluit vervatte standpunt dat een urenbeperking niet aan de orde is. Met name acht de Raad in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 11 februari 2009 overtuigend onderbouwd het door het Uwv ingenomen standpunt dat de door appellante gekozen behandelingen niet om medische redenen noodzakelijk zijn te achten en om die reden niet kunnen leiden tot toepassing van de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘verminderde arbeidsduur’. Hetgeen appellante ten aanzien van dit punt heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel gebracht. Wel moet, zoals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, worden vastgesteld dat het Uwv pas in beroep het standpunt dat geen urenbeperking aan de orde is inzichtelijk heeft onderbouwd.

5.5. Het onder 5.3 en 5.4 overwogene brengt mee dat het beroep gegrond moet worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand dienen te worden gelaten.

6. De Raad ziet tenslotte, gelet op de voorhanden zijnde, en door partijen niet betwiste gegevens, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien voor zover het de vaststelling van de inkomenseis betreft. De resterende verdiencapaciteit bedraagt, gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Leentjens van 18 juni 2007, € 12,28 bruto per uur. De inkomenseis, voortvloeiende uit de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 10 september 2006, dient per die datum te worden bepaald op € 6,14 per uur.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover is beslist over proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Stelt de inkomenseis per 10 september 2006 vast op € 6,14 per uur en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR