Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
07-09-2009
Zaaknummer
08-471 AW en 08-5345 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordelingen. Ontheffing van functie en belasting met tijdelijke werkzaamheden. Ontslag wegens onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie van senior administratief medewerker. Geen concrete incidenten of voorbeelden. Onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant ongeschikt is voor zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/471 AW en 08/5345 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 5 december 2007 en 24 juli 2008, 07/1048 en 07/2829 (hierna: aangevallen uitspraken 1 en 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: college)

Datum uitspraak: 27 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.H. Buiting, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. J.W.B. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Zeist.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 1 mei 1994 als medewerker Archiefzaken in dienst getreden bij de gemeente Zeist. Na een reorganisatie is hij na een proefperiode van drie maanden per 1 augustus 2003 herplaatst in de nieuwe functie van senior administratief medewerker Vergunningen bij de afdeling Vergunningen en Handhaving.

1.2. In juni 2005 heeft de leidinggevende van appellant een beoordeling opgemaakt over de periode 9 augustus 2003 tot 13 juni 2005. Deze beoordeling is vastgesteld bij besluit van 27 september 2005. Het samenvattend oordeel van die beoordeling luidde: c, ontoereikend. Het bezwaar van appellant tegen die beoordeling is bij besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

1.3. Op 29 maart 2006 heeft de leidinggevende een beoordeling opgemaakt over de periode 13 juni 2005 tot 29 maart 2006. Het samenvattend oordeel van die beoordeling luidde opnieuw: c, ontoereikend. Ook deze beoordeling is bij besluit van 4 oktober 2006 ongewijzigd vastgesteld. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Nadat appellant op 10 oktober 2006 het voornemen daartoe was kenbaar gemaakt waarop deze heeft gereageerd, heeft het college appellant bij besluit van 24 oktober 2006 tijdelijk werkzaamheden opgedragen bij het Regionaal Centrum voor Natuur- en Milieucommunicatie. Ook tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij het bestreden besluit van 13 maart 2007 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 4 oktober 2006 en 24 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.6. Na daartoe wederom het voornemen kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant heeft gereageerd, heeft het college appellant bij besluit van 2 april 2007 per 15 april 2007 ontslagen wegens onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie van senior administratief medewerker. Het college heeft dit besluit, na bezwaar, in afwijking van het advies van de externe commissie P&O-zaken, bij het bestreden besluit van 28 augustus 2007 ongegrond verklaard. Voorts heeft het college bij dat besluit de gevraagde vergoeding van de kosten van juridische bijstand in de bezwarenprocedure geweigerd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Ten aanzien van de beoordeling was de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken een consistent beeld laten zien dat het functioneren van appellant op belangrijke punten duidelijk te wensen overliet en dat de scores op de beoordelingsaspecten voldoende concreet waren onderbouwd. Ook had het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang vergde om appellant bij wijze van ordemaatregel van zijn functie te ontheffen en tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen. Wat het ontslag betreft was de rechtbank van oordeel dat het college mocht uitgaan van ongeschiktheid van appellant voor zijn functie en dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.

3. De Raad overweegt ten aanzien van het gehandhaafde beoordelingsbesluit het volgende.

3.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling stelt de Raad evenals de rechtbank voorop dat die volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

Gezien het feit dat de beoordeling op alle punten, uitgezonderd het aspect contact: optreden naar buiten, en het aspect mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, de laagst mogelijke scores bevat, diende het college deze scores dus aan de hand van concrete feiten aannemelijk te maken.

3.2. Met betrekking tot dit laatste merkt de Raad allereerst op dat het college bij het bestreden besluit voor de motivering heeft verwezen naar het advies van de externe commissie P&O-zaken. De Raad kan echter slechts constateren dat die commissie haar advies dat sprake is van een goed onderbouwde beoordeling en dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de beoordeling een onjuiste weergave is van zijn functioneren, volstrekt niet heeft onderbouwd. Over de vele grieven, voorzien van bijlagen, die appellant tegen die beoordeling heeft ingebracht wordt (slechts) opgemerkt dat deze òf niet ter zake doende, òf niet relevant, òf onvoldoende zijn. Op geen van de grieven van appellant is inhoudelijk ingegaan. Van een inzichtelijke heroverweging op de grondslag van het bezwaar als vereist volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de Raad dan ook niet gebleken. Het motiveringsgebrek in het advies kleeft ook het bestreden besluit aan, zodat dit (reeds) wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb niet in stand kan blijven.

3.3. Daarnaast kan de Raad het standpunt van het college dat uit de in of bij de beoordeling gegeven voorbeelden voldoende blijkt dat het functioneren op nagenoeg alle gezichtspunten de laagst mogelijke scores verdient, niet onderschrijven. De Raad merkt op dat de beoordeling vooral kwalificerend van aard is en slechts weinig concrete, op de taken van de functiebeschrijving toegespitste voorbeelden bevat. De Raad doelt hier op vermeldingen als dat appellant traag is, onvoldoende samenwerkt en niet voldoet aan hetgeen van een senior administratief medewerker wordt verwacht die drie jaar in functie is en is ingeschaald in schaal 9. De toelichtende tekst in de beoordeling gaat voornamelijk over (tekortschieten in het maken van) procesbeschrijvingen, verbeterplannen en actie-plannen, ontwikkelpunten en kerncompetenties. Niet blijkt uit de beoordeling of uit de (schaarse) verslagen van functioneringsgesprekken welke concrete functiebestanddelen

- behalve de kennis van de applicatie BWT-4all en de taak van vervangend applicatiebeheerder, op welke taken appellant naar zijn zeggen gewenste cursussen niet mocht volgen - in de beoordelingsperiode onvoldoende werden uitgevoerd en op welke taakonderdelen de werkprestaties onder de maat waren. Wat betreft de in de gedingstukken genoemde managementrapportages die appellant niet (tijdig) zou hebben gemaakt, merkt de Raad op dat appellant een groot aantal van die rapportages in het geding heeft gebracht. Onder de gedingstukken bevinden zich geen rappellen zodat de Raad niet kan vaststellen dat die rapportages niet tijdig waren. Wat betreft de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid heeft de Raad opgemerkt dat appellant soms inderdaad taalfouten maakt. Dat appellant niet in staat zou zijn een duidelijke boodschap te formuleren en daardoor geen eenvoudige correspondentie kan voeren, heeft het college niet onderbouwd en vindt geen enkele steun in de stukken die appellant ten behoeve van het onderhavige geding heeft geproduceerd. Desgevraagd hebben de gemachtigden van het college ter zitting op de hiervoor genoemde punten ook geen verdere opheldering kunnen verschaffen.

Veeleer komt voor de Raad uit de stukken het beeld naar voren dat beoordelaar en beoordeelde ieder op een eigen golflengte communiceerden, elkaar daardoor niet bereikten en dat hun werkverhouding niet goed was.

3.4. Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit van 13 maart 2007 wat betreft de beoordeling, niet in stand kan blijven, mede omdat het college niet aan de op hem rustende plicht heeft voldaan de negatieve scores aan de hand van concrete feiten voldoende aannemelijk te maken.

4. Met betrekking tot het besluit appellant te ontheffen van zijn functie en hem te belasten met tijdelijke werkzaamheden overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het besluit appellant van zijn functie te halen en hem te belasten met tijdelijke werkzaamheden berust op de overweging dat het in het belang van de dienst ongewenst is dat appellant nog langer werkzaamheden verricht op de afdeling omdat er sprake is van een ongewenste houding en gedrag. In het besluit wordt echter wederom niet - aan de hand van incidenten of voorbeelden anderszins - aangegeven waaruit die ongewenste houding blijkt en waaruit dat ongewenste gedrag bestaat en desgevraagd hebben de gemachtigden van het college dit ter zitting ook niet nader kunnen toelichten.

4.2. De bezwarencommissie heeft na te hebben overwogen dat de negatieve beoordeling in stand kon blijven, haar advies op die grond gebaseerd. Nu evenwel blijkens hetgeen onder 3.4 is overwogen de tweede beoordeling naar het oordeel van de Raad niet op voldoende gronden berust, terwijl de vaststelling van die beoordeling de opmaat vormde voor de ontheffing, is de Raad van oordeel dat daarmee ook aan die ontheffing de grond is komen te ontvallen.

5. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt en dat deze uitspraak en het bestreden besluit van 13 maart 2007 in hun geheel dienen te worden vernietigd met opdracht aan het college om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6. De Raad overweegt naar aanleiding van het bestreden ontslagbesluit het volgende.

6.1. Het besluit om appellant wegens ongeschiktheid voor zijn functie per 15 april 2007 te ontslaan berust op de overweging dat appellant beschikt over onvoldoende kennis, waardoor hij delen van die functie niet uitoefent en dat voorts de kwaliteit en inhoud van het werk onder de maat zijn. Verder laten houding en gedrag te wensen over en is appellant ondanks een intensief begeleidingstraject niet tot verbetering in staat. Daarbij heeft het college verwezen naar de hiervoor besproken beoordeling en de rechtens onaantastbare beoordeling van 27 september 2005. Voorts heeft het college nog laten meewegen dat appellant ook zijn eerdere functie niet goed heeft vervuld.

6.2. Appellant heeft met betrekking tot de laatstgenoemde beoordeling opgemerkt dat de enige reden dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 16 mei 2006, waarbij die beoordeling na bezwaar werd gehandhaafd, is, dat dit een voorwaarde was voor het kunnen starten van de medio 2006 beproefde mediation. De Raad heeft vastgesteld dat die verklaring in de gedingstukken wordt bevestigd.

6.3. Gezien het oordeel van de Raad over de tweede beoordeling en de kanttekening die hiervoor is gemaakt bij de onaantastbaarheid van de eerste beoordeling is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant ongeschikt is voor zijn functie.

Ook het beroep tegen aangevallen uitspraak 2, waarbij het bestreden besluit met betrekking tot het ontslag in stand is gelaten slaagt dus, zodat de aangevallen uitspraak 2 en het besluit van 28 augustus 2007 dienen te worden vernietigd. Ook hier zal het college een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 13 maart 2007 en 28 augustus 2007 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Draagt het college op om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Bepaalt dat het college aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 716,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD