Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08-299 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering; minder dan 15% arbeidsongeschikt. De deskundige van de rechtbank heeft, geconfronteerd met de andersluidende visie van (de gemachtigde van) appellant, zijn eigen conclusies serieus heroverwogen. In zijn rapport van 26 mei 2007 heeft hij op een inzichtelijke wijze verduidelijkt waarom hij zich kon verenigen met de door het Uwv opgestelde FML. Voorts is de Raad van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. In hoger beroep heeft appellant geen gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van de deskundige. Toereikende motivering van de geschiktheid van de functies in hoger beroep. Instandlating rechtsgevolgen. Schending redelijke termijn door de rechtbank. Heropening onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/299 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2007, 04/4273 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe van 7 april 2009 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door F. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zijn werkzaamheden als [naam functie] op het platform van Schiphol voor 38 uur per week op 17 februari 2003 gestaakt wegens psychische klachten. Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, in aansluiting op de afloop van de voor hem geldende wachttijd van 52 weken op 13 februari 2004, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 24 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2004 ongegrond verklaard.

2. Op grond van de rapporten van 12 juli 2006 en 26 mei 2007 van de door haar geraadpleegde deskundige dr. J. Rübsaam, psychiater te Amsterdam, is de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte stand houdt. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit voor onjuist te houden, waarna zij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.

3. Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Zijn medische beperkingen zijn onderschat en hij acht zich niet in staat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft, evenals de rechtbank, beslissende betekenis toegekend aan het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De deskundige heeft, geconfronteerd met de andersluidende visie van (de gemachtigde van) appellant, zijn eigen conclusies serieus heroverwogen. In zijn rapport van 26 mei 2007 heeft hij op een inzichtelijke wijze verduidelijkt waarom hij zich kon verenigen met de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst. Voorts is de Raad van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. In hoger beroep heeft appellant geen gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van de deskundige. De Raad overweegt in dit verband dat de (destijds) appellant behandelend psychiater A. Derks in haar brief van 5 februari 2004, welke datum dicht bij de datum in geding ligt, naar voren heeft gebracht dat zij de prognose niet ongunstig acht, mits appellant zijn medicatiegebruik voortzet en een rustig leven leidt met niet te veel contacten. Zij meent dat het voor hem minder spanningsvol is om in het goederenvervoer te werken dan in het passagiersvervoer. De conclusies van Rübsaam liggen daarmee geheel in lijn. Dat het Uwv aan appellant met ingang van 20 november 2005 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO heeft verstrekt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, leidt niet tot een ander oordeel, nu de datum hier in geding 13 februari 2004 is, zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar in haar rapport van 28 augustus 2007 reeds is opgemerkt.

5. De stelling van appellant dat hij de uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van inpakker (sbc-code 111190), elektromonteur (sbc-code 267010) en productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) niet kan verrichten treft naar het oordeel van de Raad geen doel. De Raad is van oordeel dat in de (bezwaar)arbeidskundige rapporten van 22 juli 2004, 6 december 2004, 9 juni 2005 en 7 april 2009 toereikend is gemotiveerd dat deze functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant. Daarbij heeft tevens overleg plaatsgevonden met de bezwaarverzekeringsarts. De stelling dat uit niets blijkt dat appellant in staat is tot het volgen van een interne cursus HACCP, zodat de tot sbc-code 111190 behorende functie inpakker ten onrechte is geselecteerd, slaagt niet. Niet aannemelijk is dat appellant niet in staat kan worden geacht deze korte aanschouwelijke trainingen, zoals beschreven in het nader arbeidskundig rapport van 9 juni 2005 (onder 2.2.6), te volbrengen. Nu het Uwv met het rapport van 7 april 2009 eerst in hoger beroep een toereikende motivering van de geschiktheid van de functies heeft gegeven, dient het bestreden besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zal de Raad echter in stand laten.

6. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Die kosten bedragen in totaal € 1.932,- aan kosten van rechtsbijstand: in beroep 4,5 punten (indiening beroepschrift, reactie van 16 juli 2007 op het verslag van de deskundige, driemaal verschijnen ter zitting) en in hoger beroep 2 punten (indiening hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting).

7.1. Appellant heeft ter zake van de lange duur van de procedure de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant meent dat het Uwv voldoende voortvarend heeft gehandeld, maar dat er sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase.

7.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) naar voren komt.

7.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In deze uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 7.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

7.3.1. Voor het voorliggende geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant door het Uwv op 24 maart 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn 5 jaar en ruim 5 maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

7.3.2. De Raad stelt vast dat de behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 7 september 2004 tot de uitspraak op 18 december 2007 drie jaar en ruim drie maanden heeft geduurd. De Raad merkt daarbij op dat het onderzoek (voor de eerste maal) ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2005. Vervolgens heeft de rechtbank op 27 september 2005 het onderzoek heropend. Op 14 oktober 2005 heeft de rechtbank de deskundige Rübsaam benoemd. Deze heeft op 12 juli 2006 aan de rechtbank gerapporteerd. Het beroep is op 14 december 2006 voor de tweede maal behandeld ter zitting van de rechtbank. Vervolgens heeft de rechtbank wederom het onderzoek heropend. Bij brief van 5 maart 2007 heeft de rechtbank de deskundige Rübsaam verzocht te reageren op hetgeen door de gemachtigde van appellant op de zitting van 14 december 2006 naar voren is gebracht over de door hem opgestelde rapportage van 12 juli 2006. De deskundige heeft op 26 mei 2007 gereageerd. Desgevraagd hebben partijen hun commentaar op de reactie van de deskundige van 26 mei 2007 gegeven: het Uwv op 29 juni 2007 en appellant op 16 juli 2007. Het Uwv heeft bij brieven van 29 augustus 2007 en 2 november 2007 nadere stukken ingediend. Omdat appellant geen toestemming heeft gegeven om de behandeling ter zitting achterwege te laten, is het geding op 15 november 2007 wederom ter (derde) zitting van de rechtbank behandeld. De behandeling door de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 15 januari 2008 en eindigt met deze uitspraak op 4 september 2009. Deze heeft derhalve één jaar en ruim zeven maanden geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn door de rechtbank is geschonden.

8.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 09 / 4650 BESLU

ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.

JL