Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08-1810 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of het college, dat op grond van de Sociale Leidraad gehouden is appellant een passende functie aan te bieden, in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant te plaatsen op de functie locatiebeheerder, omdat het deze functie niet passend acht voor appellant, gezien diens beperkingen. De Raad: De zogenoemde meervoudige werkopdrachten uit de tweede werkstroom worden (...) niet door hem verricht. Deze werkzaamheden worden door de procesbegeleider op naam toegewezen en kunnen niet aan appellant worden opgedragen en worden daarom volgens het college niet aan appellant opgedragen. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het college dat de door appellant ingebrachte verklaringen van zijn collega’s en van een stagiaire niet leiden tot een ander oordeel, nu deze collega’s niet geacht kunnen worden het volle zicht te hebben op aard en niveau van de door appellant uitgevoerde werkzaamheden. De toenmalige leidinggevende heeft zich aangesloten bij de opvatting van het college dat appellant de werkzaamheden van locatiebeheerder niet in volle omvang verrichtte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1810 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 januari 2008, 06/940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: college)

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, verbonden aan SRK Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.K. Linthout en T.H. Raatjes, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Sozawe). Na een conflict is appellant gedetacheerd bij de dienst Onderwijs, Cultuur, Sport en Welzijn (hierna: OCSW). In verband met een reorganisatie is appellant vervolgens bij besluit van 16 december 2003 met ingang van 1 januari 2004 benoemd in algemene dienst om vooralsnog werkzaam te zijn bij de dienst Informatie en Administratie (hierna: DIA) in de functie van [naam functie] bij de Centrale ICT-organisatie (hierna: CIO).

1.2. Nadat appellant medio 2004 te kennen had gegeven dat hij de functie bij de CIO niet passend achtte, is hij op voorstel van het college onderzocht door een arbeidsdeskundige. Deze heeft in een rapport van 12 december 2004 vastgesteld dat appellant op grond van door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen arbeidsongeschikt geacht kan worden voor de functie van [naam functie] vanwege zijn beperkingen op het punt van conflicthantering en werken onder tijds- en tempodruk. Omdat appellant vooruitlopend op dit onderzoek vanaf augustus 2004 al was ingezet voor werkzaamheden als PC-beheerder/locatiemedewerker bij de dienst RO/EZ, dit werk hem goed beviel en die functie op grond van belastbaarheids-, opleidings- en werkervaringsgegevens als passend was te beschouwen, heeft de arbeidsdeskundige primair geadviseerd appellant te her-plaatsen als PC-beheerder/locatiemedewerker. Als dat niet zou kunnen, zijn er volgens de arbeidsdeskundige voldoende andere re-integratiemogelijkheden bij de gemeente. Naar aanleiding van dat rapport heeft het college appellant bericht dat hem een nieuw aanbod zal worden gedaan.

1.3. Naar aanleiding van een verzoek aan appellant om zich te melden bij de mobiliteitscoördinator heeft appellant bij brief van 16 juni 2005 aan het college verzocht hem formeel aan te stellen als locatiebeheerder, de functie die hij naar zijn mening sinds augustus 2004 uitoefent. Bij besluit van 11 augustus 2005 is dit geweigerd, omdat appellant geen functie uitoefent maar wordt ingezet voor tijdelijke taken. Het college heeft dit besluit, na bezwaar, met overneming van het advies van de commissie voor bezwaarschriften in Algemene Rechtspositionele Aangelegenheden (hierna: commissie ARA) gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 mei 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant de functie van locatiebeheerder aan te bieden, omdat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant deze functie ten tijde van het bestreden besluit niet ten volle bekleedde.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de functie wel degelijk in volle omvang uitvoert. Hij bestrijdt dat hij slechts minder complexe taken krijgt opgedragen. De enige beperking is dat hij niet bij de dienst Sozawe kan worden ingezet. Ter onder-steuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar schriftelijke verklaringen van zijn collega’s alsook naar die van zijn toenmalige leidinggevende, de procesbegeleider L van 23 juni 2006, die heeft verklaard dat appellant alle taken uitvoert en dat ook zeer naar behoren doet, zelfs als een van de best presterende medewerkers.

3.2. Het college heeft zijn standpunt gehandhaafd en onder verwijzing naar de bij appellant vastgestelde beperkingen aangevoerd dat die beperkingen noodzaken tot het aanpassen van taken, zodanig dat appellant de functie niet in zijn volle omvang uitoefent. Bovendien is er volgens het college een meer dan gemiddelde aansturing en begeleiding nodig van leidinggevenden om conflicten op te lossen en te voorkomen. In verband met een en ander heeft het college onlangs, na herhaald arbeidsdeskundig onderzoek, appellant een - nieuw gecreëerde - functie aangeboden als ondersteunend locatiemedewerker. Tegen dat besluit heeft appellant overigens bezwaar gemaakt.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. In geschil is de vraag of het college, dat op grond van de Sociale Leidraad gehouden is appellant een passende functie aan te bieden, in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant te plaatsen op de functie locatiebeheerder, omdat het deze functie niet passend acht voor appellant, gezien diens beperkingen.De Raad merkt op dat het college bij besluiten als het onderhavige besluit een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de Raad dit besluit terughoudend dient te toetsen. Deze toetsing spitst zich evenals in eerste aanleg toe op de vraag of het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant deze functie sedert augustus 2004 niet volledig vervult.

4.2. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting beantwoordt de Raad die vraag evenals de rechtbank bevestigend. Niet in geschil is dat appellant in verband met zijn beperkingen wat betreft conflict-hantering niet kan worden ingezet bij werkzaamheden op de dienst Sozawe. Voorts is appellant volgens het college om diezelfde reden niet inzetbaar bij de OCSW en bij sommige afdelingen van de dienst RO/EZ omdat appellant ook daar in conflicten betrokken is geweest. Appellant voert daarom in beginsel (slechts) werkopdrachten uit voor de DIA, zijnde de eigen dienst, en de Bestuursdienst (hierna: BSD).

4.3. Naar ter zitting voorts uitvoerig is toegelicht pakt appellant weliswaar evenals zijn collega’s de in de oplosgroep binnengekomen zogenoemde enkelvoudige werkopdrachten en meldingen (calls) ten behoeve van de DIA en de BSD zelf op en gaat hij daarmee zelfstandig aan de slag; de zogenoemde meervoudige werkopdrachten uit de tweede werkstroom - change - worden echter niet door hem verricht. Deze werkzaamheden worden door de procesbegeleider op naam toegewezen en kunnen niet aan appellant worden opgedragen en worden daarom volgens het college niet aan appellant opgedragen.

4.4. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het college dat de door appellant ingebrachte verklaringen van zijn collega’s en van een stagiaire niet leiden tot een ander oordeel, nu deze collega’s niet geacht kunnen worden het volle zicht te hebben op aard en niveau van de door appellant uitgevoerde werkzaamheden. Wat betreft de verklaring van 23 juni 2006 van zijn toenmalige leidinggevende L wijst de Raad erop dat, voor zover daaruit kan worden afgeleid dat appellant de functie locatie-beheerder in volle omvang uitoefent, L door medeondertekening van het verweerschrift dat het college op 7 augustus 2006 bij de rechtbank heeft ingediend, blijkbaar afstand heeft genomen van zijn eerdere verklaring en zich heeft aangesloten bij de opvatting van het college dat appellant de werkzaamheden van locatiebeheerder niet in volle omvang verrichtte.

4.5. Wat betreft het beroep dat appellant heeft gedaan op het oordeel van de arbeidsdes-kundige wijst de Raad erop dat uit diens rapport slechts blijkt dat appellant de hem opgedragen werkzaamheden goed uitvoert. Uit dat rapport blijkt niet of hem ook alle en met name ook de meer complexe werkzaamheden van de locatiebeheerder worden opgedragen. De Raad verwijst in dit verband nog naar het advies van de commissie ARA, waarin is vermeld dat de functie van locatiebeheerder een functie is van hbo-niveau en dat het samenstel van opleiding en ervaring van appellant als van mbo-niveau dient te worden aangemerkt.

5. Het college heeft zich blijkens het vorenstaande op voldoende gronden op het standpunt gesteld dat appellant de functie van locatiebeheerder ten tijde van belang niet in volle omvang vervulde. Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen komen tot de weigering om appellant op deze functie te plaatsen.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD