Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7016

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
08/1665 AW + 08/2003 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekeningsgrondslag wachtgeld. Pensioenaanspraken en pensioentekort. Bijverdienmogelijkheden. Belastingschade. Wettelijke rente. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de juiste berekeningsmaatstaf heeft gehanteerd, maar kan de rechtbank niet volgen in het oordeel dat het college slechts wettelijke rente zou hoeven te betalen tot 2 september 2004 en niet tot de dag van algehele voldoening. De Raad neemt daarbij allereerst in aanmerking dat een gecompliceerde situatie was ontstaan door de vernietiging van het FPU-ontslag, waaraan al enkele jaren uitvoering was gegeven en waar het ABP als partij bij was betrokken, en het daarvoor in de plaats stellen van een 8:8-ontslag met wachtgeld met ingang van dezelfde datum. De fiscale gevolgen betroffen verschillende jaren en waren moeilijk te overzien en de terugvorderings- en verrekeningsvoorstellen volgden elkaar in snel tempo op. Het niet ondertekenen van een concept minnelijke regeling - als het college appellant bij brief van 2 september 2004 heeft verweten - hoeft in het bestuursrecht het college niet ervan te weerhouden tot eenzijdige besluitvorming over te gaan. De Raad is daarom van oordeel dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het college slechts wettelijke rente behoeft te betalen tot 2 september 2004 en is van oordeel dat wettelijke rente volgens de algemene regel dient te worden betaald tot de dag van algehele voldoening van het nabetaalde wachtgeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1665 AW en 08/2003 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 februari 2008, 07/725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: college)

Datum uitspraak: 27 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 26 maart 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Appellant is verschenen. Het college heeft zicht laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1970 in dienst van de gemeente Echt, laatstelijk als hoofd van het stafbureau Informatie en Automatisering. In verband met de verslechterende arbeidsrelatie als ook een reorganisatie die tot gevolg zou hebben dat de functie van appellant zou vervallen, zijn gesprekken gevoerd tussen appellant en de gemeentesecretaris om tot een oplossing te komen.

1.2. Bij besluit van 6 april 1998, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 mei 1999, heeft appellant gedaagde met ingang van 1 mei 1998 op eigen verzoek eervol ontslag in verband met vrijwillige vervroegde uittreding (hierna: FPU) verleend. In verband daarmee heeft de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP) appellant een FPU-uitkering toegekend. Daarnaast ontving appellant betalingen uit hoofde van een door het college gestorte koopsom om de FPU-uitkering op een niveau van 70% van het laatstverdiende salaris te brengen.

Uiteindelijk heeft de Raad bij uitspraak van 25 juli 2002 (LJN AE6065 en TAR 2002,162) eerdergenoemde besluiten vernietigd, omdat niet was gebleken van een door appellant gedaan ontslagverzoek.

Hierna zijn partijen in onderhandeling getreden om een minnelijke regeling te bereiken. Die onderhandelingen hebben echter niet tot resultaat geleid.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2003, heeft het college appellant met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector gemeenten/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) opnieuw met ingang van 1 mei 1998 eervol ontslag verleend. Aan dat ontslag is een recht op wachtgelduitkering verbonden.

Na beroep en hoger beroep is dit ontslag met de uitspraak van deze Raad van 9 maart 2006, 04/2948 AW en 04/5148 AW, in rechte komen vast te staan.

1.4. Bij primair besluit van 15 augustus 2006 heeft het college het over de periode 1 mei 1998 tot 30 juni 2006 na te betalen wachtgeld, na verrekening met neveninkomsten, vastgesteld op bruto € 252.536,66. Op dat bedrag heeft het college in mindering gebracht de bruto inkomsten die appellant uit hoofde van de koopsom en wegens toegekende voorschotten over die periode van het college heeft ontvangen. Na voorts vermindering met een in verband met de gedane FPU-uitkeringen rechtstreeks aan het ABP terug te betalen bedrag, heeft het college het direct aan appellant na te betalen bedrag aan wachtgeld becijferd op (het netto equivalent van) € 58.269,31.

Het college heeft blijkens dat besluit geweigerd wettelijke rente en eventuele belastingschade te vergoeden. Ten aanzien van de pensioenaanspraken heeft het college aangegeven dat tijdens een wachtgeldperiode pensioenopbouw plaatsvindt voor 50%.

Het college heeft dit besluit, na bezwaar, met gedeeltelijke afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 april 2007.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet vergoeden van de wettelijke rente en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de berekeningsgrondslag van het wachtgeld en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Laatstbedoeld bezwaar heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen over de wettelijke rente met inachtneming van zijn uitspraak en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat het college de uitspraak van de Raad van 9 maart 2006 niet in acht heeft genomen. Volgens die uitspraak zou het ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO (hierna: 8:8-ontslag) hem niet in een financieel nadeliger positie brengen. Appellant heeft erop gewezen dat er na het 8:8-ontslag sprake is van een pensioengat en dat anders dan bij het FPU-ontslag, bijverdiensten over 2004 en 2005 op zijn wachtgeld zijn ingehouden, zodat hij wel in een nadeliger positie is gebracht.

De Raad kan dit standpunt van appellant niet onderschrijven. In de door appellant bedoelde rechtsoverweging 4.3.1 van zijn uitspraak van 9 maart 2006 heeft de Raad, ter motivering van de houdbaarheid van de ingangsdatum van het 8:8-ontslag, opgemerkt dat appellant gezien de aan het ontslag verbonden uitkering door het college niet in een financieel nadeliger positie is gebracht. Te meer daar alleen de uitkeringspercentages zijn vergeleken, valt in die rechtsoverweging geenszins enige garantie ten aanzien van de pensioenopbouw of ten aanzien van bijverdienmogelijkheden te lezen.

3.2. Met betrekking tot de berekeningsgrondslag voor het wachtgeld volgt de Raad het oordeel van de rechtbank. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden voor twijfel aan de verklaring van het college dat de functie van appellant niet is meegenomen in de functiewaarderingsronde van 1998, omdat die functie toen al was opgeheven en aan appellant per 1 mei 1998 ontslag was verleend.

3.3. Met betrekking tot de stellingen van appellant omtrent zijn pensioenaanspraken en pensioentekort overweegt de Raad dat volgens artikel 4 van de Wet privatisering ABP, de aanspraken van overheidswerknemers ter zake van pensioenen worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dit betekent dat het college met betrekking tot pensioenaanspraken slechts informatieve mededelingen kan doen. Het college heeft zich in het primaire besluit van 15 augustus 2006 daarom terecht daartoe beperkt. Het oordeel van de rechtbank dat de pensioenregeling geen deel uitmaakte van het bestreden besluit is daarom juist.

3.4. Wat betreft de bijverdienmogelijkheden stelt de Raad evenals de rechtbank vast dat het college bij de toekenning van wachtgeld op grond van het destijds geldende hoofdstuk 10 van de CAR/UWO, terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 10:15 van de CAR/UWO. Het college heeft daarbij ten voordele van appellant slechts nevenverdiensten vanaf 1 april 2004 in aanmerking genomen en zogenoemde aangehouden inkomsten buiten aanmerking gelaten. Bij zijn berekeningen is het college uitgegaan van de door appellant zelf opgegeven bedragen, zodat de Raad niet kan inzien dat het college bij de vermindering van het wachtgeld van onjuiste gegevens is uitgegaan.

3.5. Wat betreft de vergoeding van eventuele belastingschade kan de Raad slechts met het college en de rechtbank vaststellen dat ten tijde van het bestreden besluit appellant nog geen duidelijke schadeclaim had ingediend waarop het college had behoren te beslissen. Het college kon dan ook in het bestreden besluit niet over vergoeding van belastingschade beslissen en heeft dit terecht niet gedaan. Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot betaling van zijn - inmiddels wel duidelijke - belastingschade valt daarom buiten de omvang van dit geding. Datzelfde geldt voor het - niet op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebaseerde - verzoek dat appellant in hoger beroep heeft gedaan om het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade.

3.6. Met betrekking tot de wettelijke rente overweegt de Raad het volgende.

3.6.1. Zoals hiervoor is vermeld heeft het college bij het bestreden besluit geweigerd aan appellant wettelijke rente te betalen over het nabetaalde bedrag aan wachtgeld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het college wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het wachtgeld over de maand mei 1998 betaald had moeten zijn, tot de datum waarop het college als gevolg van de opstelling van appellant verdere acties met betrekking tot de terugvordering en verrekening heeft opgeschort, zijnde 2 september 2004. Daarbij is nog bepaald dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend, wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente en dat geen rente behoeft te worden betaald over het gedeelte van het wachtgeld dat is verrekend met aan de gemeente Echt-Susteren verschuldigde bedragen.

3.6.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de juiste berekeningsmaatstaf heeft gehanteerd, maar kan de rechtbank niet volgen in het oordeel dat het college slechts wettelijke rente zou hoeven te betalen tot 2 september 2004 en niet tot de dag van algehele voldoening. De Raad neemt daarbij allereerst in aanmerking dat een gecompliceerde situatie was ontstaan door de vernietiging van het FPU-ontslag, waaraan al enkele jaren uitvoering was gegeven en waar het ABP als partij bij was betrokken, en het daarvoor in de plaats stellen van een 8:8-ontslag met wachtgeld met ingang van dezelfde datum. De fiscale gevolgen betroffen verschillende jaren en waren moeilijk te overzien en de terugvorderings- en verrekeningsvoorstellen volgden elkaar in snel tempo op. Het niet ondertekenen van een concept minnelijke regeling - als het college appellant bij brief van 2 september 2004 heeft verweten - hoeft in het bestuursrecht het college niet ervan te weerhouden tot eenzijdige besluitvorming over te gaan. De Raad is daarom van oordeel dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het college slechts wettelijke rente behoeft te betalen tot 2 september 2004 en is van oordeel dat wettelijke rente volgens de algemene regel dient te worden betaald tot de dag van algehele voldoening van het nabetaalde wachtgeld. Het college zal daarom een nieuw besluit over de wettelijke rente dienen te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

3.6.3. Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting nog heeft aangevoerd wijst de Raad het college er voor zover nodig nog op dat, nu de over de periode tot de algehele voldoening van het nabetaalde wachtgeld verschuldigde rente pas veel later - naar aangenomen mag worden in 2009 - wordt uitbetaald, het college over het bedrag van die wettelijke rente op gelijke wijze wettelijke rente is verschuldigd tot de dag der algehele voldoening daarvan toe.

3.6.4. De grief van appellant ten slotte dat het college hem ook wettelijke rente had dienen te betalen over de veel te laat aan hem terugbetaalde proceskosten en griffierecht valt buiten de omvang van het geding, nu het bestreden besluit daarop geen betrekking heeft en dit ook niet hoefde te hebben.

4. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover deze het oordeel over de verschuldigde wettelijke rente betreft.

5. Het overwogene in 3.6.2 brengt voorts mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 maart 2008, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Awb in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. De Raad zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in de onderhavige uitspraak heeft overwogen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 39,22 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen omtrent de wettelijke rente met inachtneming van zijn uitspraak;

Bepaalt dat het college een nieuw besluit neemt over de wettelijke rente met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Vernietigt het besluit van 26 maart 2008;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van€ 39,22 aan reiskosten.

Bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD