Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
08/7131 BESLU + 09/1235 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadeuitspraak wegens overschrijding redelijke termijn; halve pingpongzaak; bij 2 procedures over (recht op) dezelfde uitkering kan in tweede procedure worden volstaan met vaststelling dat redelijke termijn is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7131 BESLU

09/1235 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat).

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2005, 03/3113 en 03/2158, in de gedingen tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraken van 20 januari 2009 (LJN BH1282 en BH1323) heeft de Raad uitspraak gedaan op deze hoger beroepen. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat (de minister van Justitie) aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, in beide procedures een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2009. Namens betrokkene is mr. Hest verschenen en namens de Staat mr. J.P. Heinrich, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De uitspraken van de Raad van 20 januari 2009 betroffen twee procedures tussen betrokkene en het Uwv. De eerste procedure had betrekking op betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 december 1999, de tweede op zijn aanspraak op een WAO-uitkering met ingang van 5 februari 2003. De procedures hadden ten tijde van de uitspraken van de Raad van 20 januari 2009 respectievelijk negen jaar en een maand en vijf jaar en elf maanden in beslag genomen. In zijn uitspraken van 20 januari 2009 heeft de Raad vastgesteld dat betrokkene en het Uwv overeenstemming hadden bereikt over de mate waarin de bestuurlijke behandelingsduur is overschreden en de daarvoor door het Uwv verschuldigde vergoeding. Voorts is voor beide procedures overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank en de Raad.

2. Namens de Staat is in de eerste plaats verzocht in deze procedures niet de minister van Justitie maar de Raad voor de rechtspraak als vertegenwoordiger van de Staat aan te merken. Voorts is - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat in beide procedures de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat voor beide procedures tezamen een vergoeding van € 3.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. De Staat heeft daarbij naar voren gebracht dat een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden, wat een verlenging van de redelijke termijn met drie maanden rechtvaardigt. Voorts is opgemerkt dat de procedures als parallelle procedures kunnen worden beschouwd, zodat voor zover sprake is van samenloop, in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

3. De gemachtigde van betrokkene heeft naar voren gebracht dat de samenloop van twee procedures niet tot een lagere schadevergoeding dient te leiden. Voor de eerste procedure komt betrokkene naar haar mening in aanmerking voor een schadevergoeding van € 5.500,-, voor de tweede van € 2.000,-. De gemachtigde van betrokkene deelt voorts niet de mening dat de inschakeling van een deskundige leidt tot verlenging van de redelijke termijn.

4.1. Met betrekking tot het verzoek van de Staat om in deze procedure niet de minister van Justitie maar de Raad voor de rechtspraak als vertegenwoordiger van de Staat aan te merken, verwijst de Raad allereerst naar overweging 6.1 van zijn uitspraak van 30 juni 2009 (LJN BJ2125) De Raad volgt de Staat niet in zijn betoog dat artikel 104a van de Wet op de rechterlijke organisatie ter zake aan de Raad voor de rechtspraak een eigen bevoegdheid verleent. Het betreft hier immers niet het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling. De Raad laat hierbij nog in het midden of in het licht van artikel 6 van het EVRM het optreden van een orgaan van de Rechtspraak in procedures zoals deze toelaatbaar moet worden geacht.

4.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid,van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in beide procedures in hun geheel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Zij verschillen van mening over de hoogte van de schadevergoeding waarop betrokkene aanspraak kan maken.

4.4. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek in de eerste procedure verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 25 maart 2009 (LJN BH9991) en 15 april 2009 (LJN BI2044). Daarin heeft de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 4.2 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

4.5. In zijn onder 4.1 genoemde uitspraak van 30 juni 2009 heeft de Raad reeds overwogen geen grond te zien om voor de behandeling in een rechterlijke fase een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten in verband met de inschakeling van een deskundige, zoals door de Staat was bepleit. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de onder 4.4 genoemde behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, in het algemeen voldoende ruimte bieden voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn, waarbij dan doorgaans de criteria, genoemd in 4.2, een rol zullen spelen. Gesteld noch gebleken is dat in het voorliggende geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.

4.6. Voor de vaststelling van de schadevergoeding in de eerste procedure stelt de Raad vast dat de rechtbank in de eerste fase de haar toekomende behandelingsduur met ruim negen maanden heeft overschreden. Bij de Raad is ten tijde van deze uitspraak sprake van een overschrijding van twee jaar en bijna vier maanden. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om deze overschrijdingen geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase in totaal derhalve met drie jaar en een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van zeven maal € 500,-, dit is € 3.500,-.

4.8. Onder verwijzing naar overweging 6.7 in zijn onder 4.1 genoemde uitspraak van 30 juni 2009 is de Raad van oordeel dat in de tweede procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn door de Raad is geschonden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat ook in het voorliggende geval zowel de eerste als de tweede procedure betrekking had op appellants recht op een WAO-uitkering, zodat deze procedures in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake. Dat in betrokkenes geval, zoals zijn gemachtigde heeft opgemerkt, meer tijd was verstreken tussen het eerste en het tweede besluit dan in de uitspraak van 30 juni 2009 het geval was, doet hieraan niet af.

4.9. Het onder 4.1 tot en met 4.8 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 3.500,-.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze (schade)procedures. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,-;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NK